nig aan elkander verbonden, dat de kleine punten pofachtig daarover heen liggen, zoo als de afbeelding aanwijst.
Zijn alle groote en kleine punten van den lampensluijer gereed, dan werkt men rondom een toer met dubbele zijde en over pen No. 1; maar nu weder met eene naainaald, daar men bij elke maas eene kwikpaarl moet aanrijgen. Bij
Dik wit breikatoen en eene dikke haaknaald, overeenkomstig het katoen.
Voor elken ring worden 9 steken opgezet; men vormt dezen tot eene rondte en werkt in elken steek van het opzetsel een vasten steek. Vervolgens gaat men steeds spiraalvormig voort; hierbij echter twee zaken in acht ne-mende. Vooreerst werkt men gestadig van binnen uit, zoodat de achterzijde van het haakwerk de buitenzijde van den ring vormt; ten andere steekt men telkens, in plaats van in de bovenste lus van den steek, in een aan de ach-terzijde daaronder liggende steek van den vorigen toer, en werkt daar een vasten steek in. Op die wijze verkrijgt het werk zeer veel elasticiteit en behoeft het geene opvulling van watten of ka-
dezen toer werkt men de 2 buitenste mazen der punten in een maas te zamen.
Eindelijk versiert men de kleine, bo-ven liggende punten met 4 kwikpaarlen, en de groote punten met eene ster van kleine platliggende kralen, welke in het midden een kruis van stalen kralen heeft. (Zie de afbeelding.)
toen, zoo als sommige werken van dien aard vereischen.
Fig. 3, de grootte der buitenzijde van den ring voorstellende, geeft tevens de dikte van katoen en haaknaald aan. Vol-gens ons origineel is elke ring 38―40 Ned. duim lang. Men sluit den ring, door den opzettoer zoo onzigtbaar mo-gelijk met den laatst gewerkten aan elkander te naaijen. Alvorens den twee-den ring te sluiten, steekt men dien door den eersten heen.
Voor de lengte van een embrasse heeft men 3 of 4 ringen noodig. Bezigt men deze embrasse voor gekleurde gor-dijnen of portières, dan neemt men katoen of wol, die met de kleur van het voorwerp, waarvoor men ze be-stemt, overeenkomt.
HANDWERKEN EN MODES. 81
RING VOOR GORDIJN-EMBRASSES.
Plaat XLIX, Fig. 2 en 3. (Haakwerk.)