Fijn linnen of batist; fijn garen, en borduurkatoen No. 40.
Deze randen zijn gemakkelijker van katoenen stof te vervaardigen; maar de meerdere moeite aan eene bewerking op linnen of batist verbonden, wordt door de meerdere duurzaamheid beloond. De stof die men voor dit werk bezigt, moet onopgemaakt wezen; is zij dit niet, dan moet zij in water gezet worden, opdat het stijfsel zich ontbinde en de draden hierdoor gemakkelijker kunnen worden uitgetrokken. Gelijk de afbeel-ding aanwijst, is deze open rand in het midden breed, en heeft bij aan de beide zijden een smallen rand, die door 3 onuitgetrokken draden van den breeden is afgescheiden. Het is noodzakelijk, zoo-wel bij het uittrekken der draden als bij de bewerking, ons origineel te vol-gen, waarop de vier afdeelingen der bewerking duidelijk zijn aangewezen. Het getal der uit te halen draden is moeijelijk te bepalen, daar dit van de fijnheid der stof en van de breedte van den te be-werken rand afhangt.
Om den rand gemakkelijk te kunnen bewerken, spant men hem op eene strook wasdoek; terwijl men bij het omnaaijen van den buitenrand tevens den ingeslagen zoom bevestigt, en den draad om de 4 of 5 losse draden haalt, waardoor men dezen tot een bosje ver-eenigt.
Men voltooid den buitenrand, door
over de onuitgehaalde draden eene rij kruisjes te werken, en daardoor de dra-den van het middengedeelte met 4 of 5 draden of te deelen, zoo als de plaat aantoont. De 3 onuitgehaalde draden worden met een kruissteek bewerkt, daar men steeds, afwisselend, nu eens onder die draden de losse draden der middenstreep, en dan boven hen dezelfde losse draden aan den buitenrand opneemt. Na 2 dusdanige kruisjes gemaakt te hebben, haalt men 2 van deze bosjes draden van den bui-tenrand in het midden te zamen, terwijl men den draad weder om een dezer bosjes haalt en alzoo tot de 3 onuitge-haalde draden komt, en over dezen weder 2 kruisjes werkt. Bij een weinig oefening zal men, de afbeelding getrouw volgende, zeker tot eene gewenschte uit-komst geraken.
Even duidelijk toont de plaat ook de bewerking van het patroon der midden-streep aan. Eerst maakt men de opene figuur, waartoe 4 van deze bosjes dra-den benoodigd zijn; men haalt ze twee aan twee aan elkander en windt, om van het eene verbindspunt tot het andere te komen, den draad twee maal om het naastbij zijnde bosje draden; tus-schen elke opene figuur 3 bosjes draden onbewerkt latende.
Men eindigt het werk met het digte gedeelte van het tusschenzetsel, waartoe borduurkatoen gebezigd wordt, en waar-bij men, even als bij het doorstoppen
82 HANDWERKEN EN MODES.
OPEN RAND VOOR ZAKDOEKEN ENZ.
Plaat LI, Fig. 9.