De Gracieuse 1863 | Page 348

24ste toer. Knoopen No. 3. Als de 22ste toer, doch nu 12 kralen voor elke maas.

25ste toer. Men werkt dezen toer over knooppen No. 3, maar is zeer lange mazen. Eerst rijgt men 20 kralen aan, en haalt de maas, even als bij den 23sten toer, in de dubbele festons aan. De hierdoor onstane steek moet zoo lang zijn, dat hij de pan op 4 kralen na moet omspannen. * Thans rijgt men 4 kralen aan, en knoopt op zulk eene wijze onze de 4 laatste kralen der pas gewerkte maas, dat dezen van de overige kralen gescheiden worden, en gezamenlijk met de laatst aangeregen kralen een dubbel stokje van 8 kralen vormen. Nadat men nu voor de volgende maas 16 kra-len heeft aangeregen, werkt men haar, even als de reeds voleindigde, in den volgenden dubbelen feston van den vo-rigen toer, zoodat ook deze maas de lengte der eerste verkijgt *. Van * tot * herhaalt men den geheelen toer. De laatste maas van dezen toer moet zoo-danig aan de eerste aansluiten, dat er volstrekt geen onregelmatigheid in de kralenbogen onsta.

26ste toer. In elk van de zoo even genoemde dubbele stokjes van 8 kralen, 1 gewone maas over pen No. 3, waar-toe men voor elke maas 14 kralen aan-rijgt.

27ste toer. Als de 25ste toer; maar nu werkt men over de pen No. 4, en rijgt voor de eerste maas 23 kralen in plaats van 20 aan, en in het vervolg voor elke maas 18.

28ste toer. Als de 26ste toer, over dezelfde pen, maar voor elke maas 16 kralen aanrijgende.

29ste toer. Als de 23ste toer, over

pen No. 3, met 8 kralen voor elke maas.

30ste toer. Zonder kralen, zoodat men nu weder met de knoopnaald werken kan; in elke maas van den vorigen toer worden 5 mazen over pen No. 4, en wel tusschen de 4de en 5de kraal, ge-werkt.

De lampensluijer is nu voltooid op de onderste garnering na, die uit groote en kleine punten bestaat, welke elk af-zonderlijk met dubbele zijde over pen No. 1 gewerkt worden. De kleine pun-ten zijn die, welke op de plaat als bovenop liggende zijn voorgesteld.

Voor de eerste kleine punt knoopt men den draad aan de eerste der 5 in eene maas gewerkte mazen, en werkt dan 15 mazen alzoo over 3 bosjes ma-zen heen. Dan keert men het werk om, en gaat in heen- en teruggaande toeren voort, de laatste maas van elken toer overslaande, totdat men 1 steek over-houdt en hierdoor eene spitse punt ver-krijgt. Na den draad afgesneden te hebben, knoopt men hem, voor de volgende punt, 20 mazen (dus 4 bosjes van 5 mazen) verder weder aan, werkt deze punt als de zoo pas beschrevene, en gaat zoo den geheelen toer voort, tusschen elke kleine punt 20 mazen voor de groote punten onbewerkt latende.

De groote punten worden in de 20 mazen, maar overigen even als de kleine bewerkt. Knoop echter, na vol-tooijing van elke groote punt, den draad aan de laatste maas van den eersten toer van dezelfde punt weder aan; leg hem regt onder de volgende kleine punt, en werk een maas in de eerste voor de volgende groote punt bestemde maas. Door deze bewerking worden de groote punten door den dubbelen draad zooda-

80 HANDWERKEN EN MODES.