De Gracieuse 1863 | Page 347

Fijnen gekleurde haakzijde, glaskralen, middensoort; kwikpaarlen; 4 knoop-houtjes van verschillende dikte, en eene fijne knoopnaald.

Wij beginnen de beschrijving van den hier afgebeelden lampensluijer met de opgaaf der dikte van de daarvoor be-noodigde knoophoutjes, en zullen ze door nommers aanwijzen, daar dit bij de be-werking het meeste gemakt aanbiedt. No. 1 is eene dikke breinaald, volgens No. 18 genomen; No. 2 moet ten naaste bij een draad van 1½ Ned. duim, No. 3 een van ruim 2 Ned. duim, en No. 4 een van ruim 2½ Ned. duim bespannen.

Deze lampensluijer wordt, met ge-kleurde zijde, van het midden af, in de rondte gewerkt, grootendeels met een eenvoudigen knoopsteek, en wordt met glaskralen en kwikpaarlen versierd.

Men rijgt 50 glaskralen aan den dub-belen draad die voor het opzetten be-stemd is, knoopt hem te zamen, en werkt vervolgens over de naald No. 1 het volgende:

1ste toer. Men slaat bestendig 2 kra-len over en werkt den 2 mazen om den opzetdraad. Door het regelmatig voort-zetten dezer bewerking heeft men aan het einde van dezen toer 50 mazen ver-kregen, en wel 2 tusschen elk der 2 afgedeelde kralen.

Van den 2den tot den 8sten toer. De eerste maas van den 2den toer werkt men in de eerste maas van den 1sten, waardoor zich eene rondte vormt. Bij

deze toeren wordt in elke maas 1 maas gewerkt.

9de toer. Over knooppen No. 2. * 6 mazen in den eerste maas van den vori-gen toer; dan slaat men een maas over *; en herhaalt van * tot * den geheelen toer.

Van den 10den tot den 20sten toer. Over de naald No. 1. In elke maas van den voorgaanden toer 1 maas.

De nu volgende 9 toeren vormen den kralenrand van den lampensluijer, welke op de afbeelding duidelijk wordt aange-toond. Bij het werken der kralen ge-bruikt men geene knoopnaald, maar eene gewone naainaald, daar men bij elke maas het benoodige getal kralen moet aanrijgen. Het is raadzaam hiervoor een langen draad te nemen, om het menig-vuldige aanknoopen te vermijden.

21ste toer. Men rijgt 8 glaskralen aan en werkt over de knooppen No. 2 een gewone maas, waarbij men telkens een maas van den vorigen toer laat liggen.

22ste toer. Over de knooppen No. 3. Voor elke maas rijgt men 10 kralen aan, en werkt ze in dezelfde maas van den 20sten toer, waarin men de mazen bij den 21sten toer gewerkt heeft. Deze beide toeren vormen zoodoende over elkander hangende festons.

23ste toer. Knooppen No. 2. In dezen toer rijgt men ook voor elke maas 10 kralen aan. Men deelt de kralen der beide vorigen toeren in twee gelijke dee-len, en werkt dan tusschen de afgedeelde kralen eene gewone maas.

LAMPENSLUIJER.

Plaat XLIX, Fig. 1. (Knoopwerk.)