De Gracieuse 1863 | Page 306

Roseau-steek.

3½ lood blaauwe en 1½ lood witte sephir-wol; haaknaald No. 21 en No. 14, en 5½ Ned. el wit satijnen lint, van de smalste soort.

De lengte van deze sprei is 45 en de breedte 30 Ned. duim. Zij wordt met den roseau-steek en de rand met den gewonen haaksteek gewerkt.

Men zet met de blaauwe wol en de haaknaald No. 21, 60 kettingsteken op en laat den blaauwen draad hangen.

1ste toer. Witte wol. Even als bij den Tunischen steek, worden de steken van den opzettoer opgenomen. Men knipt hier en in het vervolg bij elken toer den draad af.

2de toer. Blaauwe wol. Gelijk bij den Tunischen steek, worden nu de steken van de naald afgewerkt.

3de toer. Witte wol. De steken wor-den wederom even zoo opgenomen als bij den Tunischen haaksteek, met dit onderscheid, dat men eerst den 2den, daarna den 1sten, dan den 4den en ver-volgens den 3den steek opneemt, en zoo den toer voortwerkt, altijd den tweeden vóór den eerstvolgenden steek nemende.

4de toer. Blaauwe wol. Als de 2de toer.

5de toer. Witte wol. Als de 3de toer; doch bij dezen neemt men eerst den 1sten steek, daarna den 3den, dan den 2den, vervolgens den 5den, dan weder den 4den steek enz., op.

De 4 laatste toeren worden herhaald totdat men eene lengte van ongeveer 40 Ned. duim verkregen heeft, daar de rand, die om de sprei gewerkt wordt, 2½ Ned. duim breed is.

Het midden der sprei is thans ge-reed, en wij gaan dus tot den rand over, die geheel met blaauwe wol en de haak-naald No. 14 rondom het middenge-deelte wordt gehaakt.

1ste toer. Vaste steken; men zorge echter, dat de kanten vlak blijven, daar de rand van zijne netheid verliest wan-neer hij te ruim of te strak gewerkt is.

2de toer. 2 kettingsteken, in den 3den steek gestoken 2 stokjes. Zoo den geheelen toer. Tot de hoeken genaderd, moet men twee maal 2 kettingsteken en 2 stokjes in één steek werken, daar de sprei vooral zuiver vierkante hoeken moet behouden.

3de en 4de toer. Evenzoo; maar de stokjes worden nu op de kettingsteken gewerkt.

Vervolgens rijgt men het satijnen lint door de drie toeren stokjes van den rand, telkens 2 stokjes opnemende en 2 stokjes latende liggen. Bij den 2den en 3den toer neemt men die stokjes op welke bij den voorgaanden toer zijn blijven liggen. Aan de vier hoeken van de sprei wordt eene kleine plooi in het lint genaaid, opdat het vlak blijve. De draden door het af-knippen van elken toer ontstaan, wor-den aan de achterzijde vastegehecht.

38 HANDWERKEN EN MODES.

SPREI VOOR EEN LEDEKANT VOOR EENE POP.

(Haakwerk.)

(Breiwerk). (Plaat VI, Fig. 1). Naalden No. 9.