6de toer. 3 regte mazen, 1 bosje; deze wordt gewerkt tusschen de twee bosjes van den voorgaanden toer in.
Men herhaalt van den 1sten tot den 6den toer, tot men de noodige lente heeft, en begint dan de kant als volgt:
1ste toer. Op de breede knooppen werkt men even als in het gordijn een bosje, slaat den een maas over en werkt in de volgende maas weder een bosje; zoo gaat men de geheele toer voort.
De verscheidenheid der kapsels is groot en het eene overtreft het andere in pracht; twee, die wij zeer lief, niet al te opge-schikt en gemakkelijk te maken vonden, trokken in het bijzonder onze aandacht; het zijn de kapsels genaamd Hor-tense en Miranda, waarvan wij zoo naauwkeurig mogelijk de beschrijving geven zullen.
Het kapsel Hortense, heeft een diadeem, zijnde een paarsch fluwee-len strik met gouden franje doorvloch-ten, welke van voren op den rand of ring die met fluweel overtrokken is, wordt geplaatst; dezen ring reikt van achteren bijna tot aan den nek, waar een cachepeigne gevormd wordt van 3 nokken en 2 lange afhangende einden die op eenen hoogstaanden boog bevestigd worden. De ring wordt van achteren niet gesloten en is 57 duim wijd; de einden ijzerdraad waarvan de ring ge-maakt is worden nog 5 à 6 duim naar boven toe, over den ring gelegd, waar-
2de toer. Op de rond knooppen, regte mazen.
3de toer. Op de breede knooppen, regte mazen.
4de toer. Werkt men telkens 4 mazen te gelijk, zoodat hierdoor de mazen we-der vereenigd worden.
5de toer. In elke maas een bosje knoopen.
6de toer. Op de ronde knooppen. Regte mazen.
na men hem geheel met zwart lint om-woelt. Door middel dezer einden ijzer-draad, die onder het haar kunnen ver-borgen worden, kan men het kapsel meer of minder sluitend maken. De ring wordt zoodanig met fluweel bekleed, dat hij daardoor 2 duim breed wordt, doch van voren waar de diadeem, en daar waar de einden ijzerdraad on-der het haar verborgen worden, be-hoeft men hem niet met fluweel te bekleeden. De nokken van de diadeem, 12 in getal, zijn van voren in het mid-den hoogopstaand en worden naar beide zijden waaijervormig opgenaaid; hij moet een plaats beslaan van 13 duim; deze diadeem moet aan weêrszijde met éénen nok eindigen, daar hij in het midden twee reijen en van voren drie reijen nok-ken heeft, zoodat hij hierdoor zijnen hoogstaanden vorm verkrijgt. Voor el-ken strik gebruikt men een eind fluweel, dat schuin gesneden moet worden, van 13 duim lang en ongeveer 6 duim breed,
22 HANDWERKEN EN MODES.
KAPSEL HORTENSE.
Plaat XXXV. Fig. 4.