BETLEY-HALL. 253
Weder was het een schoone zomerdag, even als die waarop KAREL I zijn bezoek te Betley-Hall had aangekondigd, weder toefde miss LANE aan het venster van hare kamer en staarde peinzend naar buiten over de schoone vlakten, en weder ook trad haar vader binnen en meldde haar de komst des konings. Niet als vlugteling, gelijk eenmaal zijn vader, maar met een talrijk en schitterend gevolg betrad KAREL II het slot van zijn trouwen vasal.
Nadat de koning op het slotplein ontvangen was door den hem opwachtenden baronet, en door dezen geleid naar de rijk-gesierde zaal, waar miss JANE hem begroette, sprak hij tot sir ROBERT. “Ik heb om uwe gastvrijheid verzocht, sir ROBERT LANE; ik hoop dat gij zult uitstrekken ook over allen die mij vergezellen.”
“Wie in het gevolg mijns konings komt, die is mij van harte welkom,” zei de grijsaard en boog zich eerbiedig.
“Welaan, ik houd u bij uw woord,” sprak schertsend de ko-ning terwijl hij naar den achtergrond der zaal trad, waar zijn gevolg zich had geschaard, en eenen man van rijzige gestalte bij de hand vate en met zich voerde.
“Kom, sir CLEMENT FISHER, gij hebt het gehoord, ik heb het woord van sir ROBERT.” En zonder den baronet tijd te laten om van zijne verbazing te bekomen of iets te antwoorden, ging hij voort: “Neem hem weder aan, dien hij eens als zoon hebt liefgehad. Moge de vrede weder vereenigen, wat de ramp-zalige burgeroorlog gescheiden heeft. Wat hij aan den vader misdreef heeft hij den zoon rijkelijk vergoed, waar de koning vergeeft moogt ook gij niet langer achterblijven.”
CLEMENT FISHER had voor den grijsaard de knie gebogen. “Sta op, sir CLEMENT FISHER,” sprak kalm de baronet, “gij zijt mijn gast, wijl mijn koning het beveelt.”
“Slechts uw gast en slechts wijl ik het beveel?” vervolgde na de koning. “Niet alzoo, ik vorder, ik verzoek meer van u, en kunt gij mijne bede weêrstaan, zoo zie dan naar gindsche schoone oogen die smeekend tot u opzien. Maak een einde aan het leed dat uwe edele dochter zoo vele jaren stil en zwijgend gedragen heeft, weerstreef mij niet, waar ik haar de eenige,