De Gracieuse 1863 | Seite 255

BETLEY-HALL. 247

“Het is mogelijk dat een vijandelijke kogel mij treft, maar blijf ik in het leven -”

“Misleid uzelven niet, nooit left mijn vader de hand zijner dochter in die van den man, die gestreden heeft in het leger der rebellen: wij zijn gescheiden door uwe eigen keus.”

“En gij, JANE?”

Ik ben de dochter mijns vaders, ik mag geen smart brengen over zijn eerwaardig hoofd, al zal ook mijn hart er onder be-zwijken. Ga nu, CLEMENT, spaar mij, ik heb heden mijne krach-ten nog zoo noodig.”

“Zoo stoot gij mij van u?” vroeg hij verwijtend.

“God zegene u, mijn broeder, mijn geliefde,” snikte zij, “vaarwel, vaarwel!”

Hij greep hare hand, overdekte ze met kussen en stortte het vetrek uit. JANE staarde hem beseffeloos na; eerst toen zij den galop van zijn paard over het slotplein hoorde, ontwaakte zij uit hare verdooving en sprak tot zichzelve. “Moed gevat, JANE, het is nu geen tijd tot jammeren en klagen; gij zult u aan uwe smart nog lang genoeg kunnen overgeven, thans komt het aan op handelen,”

Zij zocht haren vader op, die haar echter reeds te gemoet trad en half verwonderd, half verstoord vroeg;

“Wat beduidt dat, JANE? ik hoor dat CLEMENT is aangeko- men ik snel toe om hem te ontvangen en aan den koning voor te stellen, en daar zie ik hem als een waanzinnige de slotpoort weder uitrennen.”

Met eene stem die zij vruchteloos trachtte kalm te doen schijnen, deelde het jonge meisje haren vader het voorgevallene mede. De baronet was aanvankelijk als verlamd van verbazing en schrik, toen echter riep hij in hevige drift: “En gij hebt den knaap laten ontkomen, wiens eerste werk nu zijn zal, om zijne spitsgezellen op Betley-Hall te doen aanrukken?”

“Dat zal hij niet doen, vader, zijn woord blijft mij daarvoor brog,” antwoordde JANE rustig.

“Zijn woord? Wie een verrader zijns konings is, die zal ook aan anderen zijn woord niet houden, zelfs al waren deze zijne naaste bloedverwanten. Maar laat hen komen, er zijn nog