246 BETLEY-HALL.
ook vondt?” vroeg JANE, die nu haar besluit genomen had.
“Waar ik hem ook vond?” herhaalde CLEMENT, getroffen door den diep ernstigen toon waarop zij gesproken had, “wat bedoelt gij daarmede, JANE, om Godswil waar is uw vader?”
“Bij zijnen gast, koning KAREL I; wilt gij nu heengaan en in zijne tegenwoordigheid den koning gevangen nemen, wilt gij over zijn hoofd den smaad brengen dat hij de regten der gast-vrijheid schond, – want zoo zal hij het aanmerken, wanneer onder zijn dak den koning geweld wordt aangedaan door zijn eigen pleegkind.”
“Almagtige God, wat zegt gij?” riep CLEMENT, “de koning hier in Betley-Hall? O JANE in wat vreeselijken tweestrijd brengen mij uwe woorden. Ik mag hem in het huis mijns twee-den vaders niet doen gevangen nemen, evenmin mag ik hem in zijne vlugt behulpzaam zijn, en zou dat ook, al wilde ik, niet kunnen; alle wegen zijn bezet.”
“Zoo zal ik den koning redden,” sprak JANE, “al ware dit ook met gevaar mijns levens.”
“JANE doe niets wat vermetel of onuitvoerbaar is.”
“Ik wil slechts mijn pligt doen, en ach, die pligt schend ik reeds in ditzelfde oogenblik, want ik gebied u, ten spoedigste Betley-Hall te verlaten, terwijl ik u door de dienaren des ko- nings behoorde te doen gevangen nemen als een vijand en rebel.”
“Ook ik ben thans uw gast,” zei CLEMENT weemoedig, “en buitendien zou ik u, het verstand raadplegend, zulk een stap moeten ontradenl mijn uitblijven zou terstond de opmerkzaam-heid mijner gezellen op Betley-Hall vestigen.”
“Zoo zult gij gaan en den uwen berigten waar de koning toeft; CLEMENT, kunt gij dat werkelijk?”
“Gij weet maar al te goed, JANE, dat ik het niet kan. Neen ik moet een verrader worden van de zaak, waaraan ik mij bond met de duurste eeden, ik moet zwijgen en u vrij spel laten om den koning te redden, hoewel mij zulks onmogelijk toe-schijnt. Gij weet, JANE, dat ik u boven alles liefhebt.”
“Waartoe die bekentenis in het uur der scheiding, CLEMENT? Wij zien elkander na dezen keer nimmer weder.”