De Gracieuse 1863 | Page 252

BETLEY-HALL.

II.

De koning had besloten den volgenden dag in Betley-Hall rust te houden, en eerst bij het vallen van den nacht verder te trekken; geen wonder daarom dat zijn gevolg zich geruste- lijk overgaf aan al het genot van den slaap, en dat de zon reeds hoog aan den hemel stond, eer nog een der gasten zich in het kasteel vertoonde. Anders was het echter met sir ROBERT en zijne dochter. Uit opgewondenheid kon de baronet den slaap niet vatten en reeds vroegtijdig was hij te vinden in de nabij- heid der koninklijke vertrekken, om op den eersten wenk zijnen vorst ter dienst te kunnen zijn. JANE integendeel werd gepij- nigd door eene onverklaarbare onrust, die haar telkens heendreef naar het venster eener torenkamer, van waar zij een uitgestrekt gezigt had over de straatwegen die van verschillende zijden komende zich niet ver van Betley-Hall kruisten of ineenliepen.

Omstreeks tegen het middaguur zag zij stofwolken verrijzen, zij zag vervolgens wapens en helmen in de verte schitteren, maar de ruiters hielden weldra links ad en slechts één hunner scheidde zich van hen en sloeg den weg naar Betley-Hall in. JANE stond daar in de grootste spanning. Nog eer het scherpe oog den naderende herkende, zeide haar het angstig kloppende hart, dat hij haar broeder, haar beminde, dat hij CLEMENT FISHER was. Zij wist nu dat de beslissing daar was, dat een harde strijd haar wachtte, dat zij ter wille van twee menschen, haar het dierbaarst op aarde, eigen levensgeluk zou moeten vernietigen.

Binnen weinig oogenblikken betrad CLEMENT den drempel van zijne tweede ouderlijke woning; JANE snelde naar beneden om het te verwelkomen, terwijl de baronet, nu werkelijk bij den koning ontboden, niets van zijne aankomst vernam.

“Slechts een paar oogenblikken zijn mij vergund, liefste JANE,” sprak CLEMENT, na de eerste begroeting, “ik behoor thans mij-zelven niet meer, maar heb mij aan de dienst mijns vaderlands gewijd.”