242 PHYSIOLOGIE VAN DEN HOED.
slaat den sluijer op en ontbloot een gelaat, waarover wel min-stens vijftig zomers zijn heengegaan maar dat ook in de lang vervlogen dagen der jeugd juist niet rijk aan bekoorlijkheden kan geweest zijn.
Verwijderen wij ons uit die gevaarlijke nabijheid dan, ach! geraken wij uit Scylla in Charybdis; die onfrissche hoed opge-pronkt met scharlaken roode veêren, verbleekte bloemen en oude overblijfselen van kant en lint, biedt eenen regt onaan-genamen aanblik. De vogelaar uit MOZART’S “Tooverfluit” had zich geen meer passend hoofddeksel kunnen kiezen als zinnebeeld van zijn naam, maar de dame zou voorzeker beter gehandeld hebben met zich te vertoonen in den goedkoopsten stroohoed met het eenvoudigste lint, dan in een tooisel dat sterk doet denken aan de prima donna van een reizend tooneelgezelschap. Terwijl wij even het oog laten gaan over het geheele voorkomen van dit be-koorlijk wezen, bemerken wij nog eene uitgescheurde laars en daar-boven eene kous die aan reinheid veel te wenschen laat: schoeisel en kapsel staan in de innigste, zij het dan ook niet weldadigste harmonie en spreken te duidelijk voor de eigenschappen onzer dame dan dat verdere uitweidingen hier noodig zouden zijn.
Waarom toch blaft die hond zoo verwoed en springt om gindsche dame heen met stoute, gewaagde sprongen? Ha zoo, het is een voshond, en de vossenstaart op haren hoed heeft hem aangelokt tot die jagt. De hond jaagt de dame, en ook de dame is op haar terrein een jagerin; wij vreezen echter dat beiden hun doel zullen missen, want beiden hebben het zich te hoog gesteld.
Welk eene vriendelijke verschijning is ons daarentegen die schoone amazone! Ziet haar naderen, elke beweging vol vlug-heid en bevalligheid, het oog vol vuur en bastberadenheid Zij draagt bij het eenvoudige rijkleed een mannenhoed omgolfd door een luchtigen sluijer. Moge zij gespaard blijven voor de beproe-vingen des levens, maar wij lezen duidelijk op dat gelaat, dat zoo deze haar wachten een edele moed het pantser ter verdedi-ging zijn zoude. Zoo als deze bekoorlijke schoone haar paard weet te beteugelen, zoo zal zij ook zichzelve weten te beheer-schen, zal zij strijden met het lot, en den man wien zij eenmaal