PHYSIOLOGIE VAN DEN HOED. 241
vooral papa, wiens lieveling zij is – vrij lastig maakt, dat zij hare broeders plaagt en bij de dienstboden een neuswijs nufje heet. Toch zijn wij overtuigd dat zij eene liefhebbende dochter is, eenmaal eene goed, zorgende huisvrouw worden zal en dat dan het thans zoo bevallig op haar hoofd zwevende hoedje zal plaats maken voor een eleganten hoed van krip of krant.
Wenden wij thans onze opmerkzaamheid naar het zonderlinge hoofddeksel der regt voor ons wandelende dame. De hoed heeft in vorm veel van den voorgaande, alleen is de rand opgeslagen en zijn daarop een paar opstaande duivenvederen aangebragt. Wij weten niet of de vogel wien deze vederen toekomen, bin- nen in den hoed zijnen zetel heeft opgeslagen en za als stand-aard heeft opgeregt, dan wel of hij zoo even is uitgevlogen en een deel van zijn gevedert, ’t zij dan vrijwillig of gedwongen, als aandenken heeft achtergelaten. In geen geval echter kunnen wij aanraden om de veêren als zinnebeeld te beschouwen van eene inborst als die der duiven; het komt ons voor dat de dame wel de list der slangen bezit doch volstrekt geen prijs stelt op het zachtere toevoegsel “maar opregt als de duiven.”
En toch wat is nog die duivenveder in vergelijking tot dien hoed daar, gesierd met de veêren van een geheelen fasant? Is welligt de draagster zulk eene goede huisvrouw dat zij het ve-derensieraad van den kortelings op een deftig dîner, opgegeten fasant, nog tot elken prijs bruikbaar maken wil, of – en wij zijn meer geneigd aan deze bedoeling te gelooven – is zij zoo behaagziek dat alleen een zeer in het oog loopend, schitterend garneersel haren wensch kan bevredigen. Wij vreezen dat zij in eene treurige dwaling verkeert, want wat ons bij eenen vo- gel verrukt, bevalt ons daarom nog niet aan eene vrouw.
Eene opmerkelijke tegenstelling met dat den poelier ontroofde hoofdsieraad maakt de hoed met breeden rand, dien de volgende wandelaarster draagt. Een sluijer verbergt het gelaat der dame, maar geheel hare houding schijnt te zeggen: “Ik heb besloten alle vermetele mannen, die het weagen mij aan te zien met eenen blik van onbegrensde minachting op hunne plaats te zet-ten.” Wij wagen dus geen schennend opzien tot dat heiligdom, maar de mensch ontgaat zijn lot niet! Een hevige rukwind