De Gracieuse 1863 | Page 248

PHYSIOLOGIE VAN DEN HOED.

Laat vrij de geleerden in hunne sombere vertrekken, begra-ven onder stoffige folianten, de wijsheid van vervolgen eeuwen als uit opgedroogde bronnen weder doen opborrelen en die zuiveren tot een verstrekenden drank voor de komende geslach-ten, ik vereer en bewonder hen; maar ik gevoel geen lust om deel te nemen aan hun duisteren en vreugdelozen arbeid, vooral niet wanneer de natuur zich gehuld heeft in haar heerlijk ge-waad van bloesem en bloem, van kleuren en geuren. Dan wordt ik naar buiten gedreven, onder den blaauwen hemel, bij zonne-schijn en lagchend groen, tusschen de vrolijke en bonte levens-lustige menigte, maar men geloove daarom niet dat ik dan wer-keloos ben. Ik vind er gelegenheid tot studiën van allerlei aard, waarschijnlijk minder diep en vermoeijend dan die onzer geleerde heeren, maar voorzeker oorspronkelijker en in vele gevallen vrij wat nuttiger en voordeeliger in het praktische leven.

Welk een uitgestrekt veld ter beschouwing openen b. v. de uiteenloopende vormen van den hoed in onze dagen. Zonder mijne toevlugt te nemen tot de kunst van eenen LAVATER of GALL, meen ik toch uit den hoed vrij goed een en ander te kunnen afleiden nopens het karakter en de neigingen van haar die hem draagt. Mijne lezeressen schudden ongeloovig het hoofd – ik noodig haar om mij te vergezellen naar eene onzer drukst bezochte wandelplaatsen en daar te luisteren naar mijne physio-logie van den hoed.

Zien wij eerst naar dat kleine vermetele hoedje, van voren eenvoudig met een roset versierd. Wie ontdekt niet terstond dat het kopje daaronder toebehoort aan een dartel, schalksch meisje en dat het eenvoudige garneersel van haar hoed der wereld de leus verkondigt: “Ik draag op mijn hoofd zoo weinig sieraad als maar immer mogelijk is, daar mijn gelaat zoo aardig is, dat het elke verfraaijing door veder, bloem of sluijer ligt kan ontberen.” Zonder een blik op haren voet te slaan, weten wij dat deze regtaf netjes en het schoeisel à merveille is; wij weten echter ook dat zij tusschenbeide het haren ouders