CACHEMIR. 237
waarin men de huizen binnentreedt met ontbloote voeten, voor een volk dat niet voortdurend bewegelijk is, dat zich de onbe-wegelijkheid tot een genot rekent, dat in een zijner spreek-woorden zegt:
Het is beter langzaam dan hard te loopen,
Stil te staan dan te loopen,
Te zitten dan stil te staan,
Te liggen dan te zitten,
Te slapen dan te liggen,
En het best van alles is de eeuwige rust,
III.
Niet ieder die wil betreedt de eenzame vallei van Cachemir. Wil een Europeaan dien togt ondernemen en volbrengen, dan moet hij bij eene ernstige wilskracht tevens een sterk gestel en eene welvoorziene beurs hebben. Men stelt zich altijd bloot aan eene of andere doodelijke ziekte wanneer men de reis aanvaardt over de bergruggen van Indië, waar de zon hare brandende stra-len neerschiet, door de vlakten die maanden lang van aanhou-dende regens worden doorweekt, over de bergen met eeuwig ijs bedekt. Heeft men de grenzen overschreden der engelsche be-zittingen, dan moet men er zich aan onderwerpen om stapvoets zijnen weg voort te zetten door digte wouden en over steile rotsen. In die uitgestrekte ruimte vindt men geen spoor meer van eenigen gebaanden weg en slechts op groote afstanden ont-moet men eene armzalige schuilplaats. Bijna elken avond moet men na de moeijelijkste dagreis er toe besluiten om onder den blooten hemel te legeren nu eens in eene gloeijende atmostfeer dan weder bij eene ijzige koude. Men moet zijne tent, zijnen leeftogt met zich voeren en een aantal bedienden te zijner be-schikking hebben. VON HÜGEL had zich voorzien van een tolk, een kok, vijf en dertig bedienden, zestig dragers en zeven muil-dieren. Het is waar dat het loon van die lieden ongelooflijk gering is: zes of zeven franks per maand voor de voornaamsten twee franks voor de overigen. Maar de reiziger moet dat groote dienstbare gevolg een geruimen tijd bij zich houden, daar hij