CACHEMIR.
II.
De plantengroei van het kleine gebeid van Cachemir is bui-tengemeen ruik en verscheiden. In de lente is het geheele dal overdekt met bloemen, en de dorpen, zegt VON HÜGEL, verdwij-nen letterlijk onder slingers van rozen. Een opmerkelijk ver-schijnsel bij al die groeikracht is dat men er volstrekt geen slingerplanten noch ook mossoorten aantreft, een zeker bewijs voor de droogte van het klimaat. Eenige planten herinneren aan de tropische streken, maar de meeste voorbrengselen van dezen gematigden bodem zijn die van Europa, alleen krachtiger en meer ontwikkeld. In de bosschen verheft zich de trotsche ceder, dien men ontmoet tot op zeven duizend voet boven de oppervlakte der zee. Van zijn stam verkrijgt men balken van vijftig voet lengte, en wanneer des zomers zijne knoppen ont-luiken dan schijnt hij, met zijne takken vol geele bloemen, een gouden boom.
De plataan heeft dezelfde grootte en majesteit. De Mongool-sche keizers hadden die schoone boomen in alle dorpen en langs alle wegen doen planten en strenge wetten waarborgden der-zelver onderhoud.
In de afgesloten tuinen van partikulieren vindt men vrucht-boomen van uitmuntende hoedanigheid, appel- en perenboomen in onderscheiden soorten, grenaat-, perziken- en abrikozenboo-men en reusachtige wijngaarden die druiven dragen van een onvergelijkelijk geurigen smaak. Op de velden bouwt men boekweit en koren, saffraan, hennip en katoen. Rijst is het voornaamste voortbrengsel van het land en de inwoners van Cachemir bouwen die met meer behendigheid en met beter ge-volg dan alle andere Indische volken. Nadat zij den akker drie malen geploegd hebben, strooijen zij het zaad daarin neder, dat vooraf met de grootste zorgvuldigheid gewasschen en in aarden vazen gelegd is waar het reeds heeft begonnen te ont-kiemen; drie achtereenvolgende dagen begieten zij de vorens.