CONSTANCE CHORLEY. 229
je uwen oom voor den zot willen houden? Nu, de grap is mooi, ik vergeef het u. Kom in mijne armen, mijn jongen, ik heb altijd veel van u gehouden.” En hij greep KRIS met ver-voering aan handen, aan armen, aan schouders, aan vest, aan mouw, alles onder de wonderlijkste bokkensprongen.
“Kijk eens, oom HUMPHREY, dat is ook nog een mooije. En dat ook.” Hij haalde nog twee banknooten, elke van duizend pond voor den dag! “Dat is alles het mijne, oom HUMPHREY, alles eerlijk verdiend. Wat bliefje? Is het niet jammer, dat ik geen wagenmaker ben geworden?”
HUMPHREY STANDISH had vele dingen in dit ondermaansche leven gezien, waarover hij verbaasd was, maar zóó was hij nog nooit uit de wolken gevallen. ’t Was als werd hem de mond toegeklemd, of liever opengeklemd; want hij zat wijd gapend in de rondte te zien, maar kon geen woord uitbrengen. MAR-GARETHA en EEFJE vielen in elkanders armen. VALLON trad met een paar groote tranen in het oog naar zijnen zwager, klopte hem op den schouder en zeide alleen: “ik beleef vreugde aan den jongen. Toe, KRIS, vertel het zelf eens.”
En nu verhaalde KRIS, hoe hij in Noord-Amerika geplaatst was geworden als agent eener machine-fabriek, hoe hij daarmede veel geld had verdiend, maar dat nog niets was bij hetgeen eene uitvinding hem had opgebragt; hij had namelijk eene verbete-ring aan de locomotieven der spoorwegen aangebragt, waardoor ruim een derde aan brandstof bespaard en bij grooter snel- heid de veiligheid grootelijks vermeerderd werd. Hij had met dit geheim in Amerika duizenden gewonnen en was nu naar Enge-land gekomen om de zaak ook daar in te voeren, waarvoor hij reeds een patent van de regering had. Hij had dit alles be- reids aan zijne ouders medegedeeld. HUMPHREY STANDISH had niet meer verbaasd kunnen staan, als de donder in “Voerlui’s rust” geslagen was.
Het eerste gebruik, dat hij na eenige oogenblikken van zijn herkregen spraakvermogen maakte, was het bovenkomen van zijnen berekenenden geest. Hij zeide tot MARGARETHA: “vrouw, in dit geval zou het met LEENTJE iets anders worden!”
“Wat mij betreft niet,” viel hem KRIS in, doch zonder eeni-