De Gracieuse 1863 | Página 236

228 CONSTANCE CHORLEY.

gij zijt meester van het uwe, zoolang gij om uwe dwaasheid geen stadskind gemaakt zijt, maar ik ben te verstandig om deel te hebben aan zulke opligterijen. Hoogmoed, zegt de Schrift, komt voor den val, en zoo is het ook hier geweest.”

De VALLON’s schenen afspraak te hebben gemaakt om op al de uitvallen van den Landheer, al waren deze ook nog zoo onbe-schoft, in het minst niet te antwoorden, en ’t gelukte dezen niet, iemand van de Peeler Ponsche familie boos te maken, of gelijk hij gewoon was te zeggen, in zijn haak te doen schieten. Die bedaardheid viel hem niet in het oog – daartoe was hij zelf te opgewonden.

“Ik vraag u om geen geld, zwager, maar meester DRUSLEY wil er wel wat geld op laten staan, als wij een goeden borg kunnen krijgen.”

“Borg? Voor zoo’n kalen jakhals, met uw verlof, zwager. De jongen heeft mij na aan het hart gelegen, zeer na, maar men heeft mijnen raad niet willen volgen. Ik trek er mijn hart van af. En als gij wilt dat wij goede vrienden blijven, zwager JA- KOB VALLON, dan verzoek ik u, mij buiten die zaken te laten. Gij hebt de schuit in het riet gestuurd, zie hoe gij er haar uit krijgt.”

Nu nam KRIS het woord. “Oom HUMPHREY,” zeide hij, ter- wijl hij een paar malen kuchte, als wist hij niet hoe te behin- nen, en de aangesprokene zich in postuur zette om schrap te staan tegen de ootmoedige smeekbeden, of den stroom van scheldwoorden – want een van beiden zag hij te gemoet.

“Oom HUMPHREY,” – KRIS haalde een smerig zakboekje voor den dag en maakte het langzaam open. “Oom HUMPHREY, het is met mij zoo erg niet als het schijnt, en ik heb mijne onge- lukken wel wat overdreven, maar niets gezegd van hetgeen mij is medegeloopen. Gij weet dat vader mij 200 pond heeft voor-geschoten; het was dunkt mij niet kwaad als ik begon met dit af te doen; tweehonderd pond en drie jaar interest, maakt. . . . Ik dank u, vader, voor het voorschot, wil u het eens nazien?”

KRIS legde daarbij drie banknoten op tafel, twee van honderd en een van vijf pond.

“Alle duivels, wat is dat?” schreeuwde de Landheer. “Heb