224 CONSTANCE CHORLEY.
“Zwager STANDISH, ik denk op al uwe smaadredenen geen woord te zeggen. maar laster mij KRIS niet. Dat het hem te-gengeloopen is, kan hij niet helpen. De heeren GWYNNE en HARDELL zouden hem niet naar Noord-Amerika hebben gezonden als hij niet kant en klaar geweest was, en ’t was immers met goedkeuring van zijne patroons, dat hij er eigen zaken begon. Maar kon hij het helpen dat de oorlog tusschen de Noordlijken en de Zuidelijken uitbrak – was dat zijn schuld, hé?”
“Och, zwager JAKOB VALLON, zoo’n oorlog komt er zoo goed in. Wat mij betreft, maak jij je vrolijk met je kostelijken KRIS, mij kan ’t niet schelen. Ik heb er in der tijd het mijne van gezegd en wasch mijn handen in onschuld.”
Hij zette zijn glas wat op zijde en ging in den stal naar zijn paard zien. en dat was goed ook, want er lag op de bevende lippen van VALLON een antwoord, dat zeer zeker het sein zou zijn geweest tot eene totale vredebreuk tusschen de beide zwagers.
KRIS had in meer dan een jaar slechts ééns van zich laten hooren. De brief kwam uit Noord-Amerika en was nog niet eens gerigt aan zijne ouders. Er was wel een brief voor zijnen vader in, maar deze was niets den weerklank van het schrijven aan zijnen oom STANDISH, wiens zoogenoemd veelvermogende tusschenspraak hij inriep om al was het maar tien, ja al was het maar vijf pond van zijnen vader los te krijgen. Het liep hem in de Nieuwe wereld allerbitterst tegen. Armoede was troef. “Dat komt er van als men den kop zoo hoog in de lucht steekt en mijnen raad verwerpt,” had HUMPHREY wel honderdmaal gezegd, tot vervelens toe, en VALLON en EEFJE konden het wel niet tegenspreken, maar ouders hooren het kwaad van hun kind liever niet van een ander, al is die ander een zwager.
Of – “kwaad” was het alleen in zoover als KRIS een arme stumpert was en bleef, en niet naar huis kon of wilde of durfde komen. De hoogwijze man uit “Voerlui’s rust” meende dat KRIS zijnen meester te vroeg ontloopen was en baad had willen wor-den toen hij nog leerling moest zijn. VALLON dacht er anders over, en dit onderwerp was zoo in het oneindige afgezaagd, dat er niets meer van te zeggen viel, en niets was meer te verwon-deren, dan dat er geen openbare vredebreuk door was ontstaan.