222 CONSTANCE CHORLEY.
kennen als eene onbeschaamde misdadige, verworpener dan hij het zich van een meisje kon voorstellen, dat nog half kind was.
Tot zijnen grooten schrik moest nu de goedhartige vredereg-ter ook geloof slaan aan de geruchten, die er waren in omloop geweest, als zou zij haar broertje aan eenen hem liefhebbenden vader hebben onttroggeld; ja de oogenschijnlijk gewetenlooze halstarrigheid, waarmede CONSTANCE haar misdrijf bekende, scheen eer geschikt om alle medelijden met haar uit te dooven, dan om die deernis te wekken, waarop hare jaren en hare treurige omstandigheden anders aanspraak zouden hebben.
Intusschen, hoe menschlievend de heer FAITSTONE ook dacht, zijn regterambt legde hem in dit geval pligten op, aan welke hij zich niet mogt onttrekken. Hij liet de brandstichtster in hechtenis nemen en verwees hare zaak naar het geregtshof van het graafschap.
Ook daar hield CONSTANCE hare zelfbeschuldiging vol; ook daar noemde zij bijzonderheden, die de waarheid buiten twijfel stelden; ook daar wendde zij geen de minste pogingen aan om hare schuld te verbloemen, verwierp met eene standvastigheid die verbazing wekte alle verontschuldigingen, volhoudende dat zij zonder iemands voorkennis al hare maatregelen beraamd en het bijeenbrengen van brandbare zelfstandigheden met de grootste zorgvuldigheid voor haren vader verborgen gehouden had.
De teregtzitting werd geschorst. De gezworenen verwijderden zich. Eene stille huivering voer door de leden van allen die de teregtzitting hadden bijgewoond. Welke de uitspraak zou zijn, kon niet twijfelachtig wezen. Bij eene zoo volledige beken-tenis lieten de Engelsche wetten geene de minste ruimte. Reeds na weinig minuten keerden de gezworenen terug en hun voor-zitter sprak het ééne, maar vreeselijke woord: “schuldig” uit.
Aller blikken wendden zich naar het ongelukkig meisje, voor wie niets scheen te bestaan van wat om haar plaats had. Strak zag zij voor zich neder, bewegingloos en bleek; slechts nu en dan vouwde zij de handen als tot een gebed. Ieder gevoelde diep medelijden met de rampzalige, en hoe gaarne ook velen zouden geloofd hebben aan hare onschuld, niemand waagde het, bij eene zoo klaarblijkelijke en volledige bekentenis aan iets anders