CONSTANCE CHORLEY. 219
maar dan was aan den vorm voldaan en de waarborgmaatschappij had geen klagen, dat de zaak niet was onderzocht geworden. DANIËL CHORLEY intusschen bleef op vrije voeten. Er was geen grond om hem te vatten. Het gold vooraf nog de vereischte ophelderingen.
Spoedig was de verblijfplaats van het meisje uitgevorscht, en even spoedig een konstabel uitgezonden om haar voor den vre-deregter te brengen, uit wiens onderzoek blijven zou of zij al dan niet naar het graafschapsgeregt moest worden verwezen. Niet weinig verwonderd waren de VALLON’s toen de konstabel hun zijne orders toonde om CONSTANCE mede te nemen. HUM-PHREY STANDISH, die juist bij zijnen zwager was, had altijd wel gedacht, zeide hij, dat het nog eens uit zou komen, welk gespuis zijn wager in huis gehaald had, en hierover ontstond tusschen hem en VALLON een twist, waarbij zelfs grootvader tusschen beiden moest komen.
In het volle gevoel harer onschuld maakte de ongelukkige CONSTANCE geene zwarigheid om den konstabel te volgen, te minder daar deze het had doen voorkomen als moest zij slechts inlichtingen geven aangaande iets dat haar voor de balie wel zou worden bekend gemaakt. In de verte vermoedde zij niet wat het ware – zoo argeloos is de onschuld!
Maar VALLON dacht er anders over. Hij weigerde bepaald, verlof te geven om CONSTANCE te laten medegaan, tenzij de konstabel, naar eisch der wet, aan het meisje te kennen gaf voor welke zaak zij werd opgeroepen.
“Behoef ik het nog te zeggen?” liet zich de geregtsdienaar hooren; “iedereen weet het immers, en haar geweten zal het haar wel zeggen, ’t is ten minste te hopen dat zij nog een ge- weten heeft. ’t Is zonde en jammer van een zoo jong ding! Wie zou zeggen dat zulk een kind” – hij legde veel nadruk op dat woord – “de boel bij haren vader in brand zou steken?”
“Wat raaskalt gij?” schreeuwde VALLON en wierp eenen blik op het meisje, dat doodsbleek en als een standbeeld daar stond; bevende over al hare leden, maar buiten staat om enkel woord te uiten. Geen traan bevochtigde haar oog, hare tong weigerde haar de dienst. Men moest het arme kind met medelijden aanzien.