De Gracieuse 1863 | Page 221

HUISHOUDEN EN KEUKEN. 213

in fijne reepjes gesneden en gekookt vóór het gebruik, en een half kopje citroensap door neteldoek gegoten; men voegt dit sap bij de peren ongeveer vijf minuten vóór zij gereed zijn.

In een volgend nommer hopen wij nog de behandeling aan te geven van later rijpe vruchten, die ook als comfituren eene eerste plaats verdienen.

DE MAAND AUGUSTUS.

Toen de oude Romeinen – zie hetgeen wij bij “de maand October” aantee-kenden – hun jaar nog met 1 Maart aanvingen, was Augustus de zesde maand des jaars en had daarnaar haren Latijnschen naam. In later tijd bekwam zij den tegenwoordig nog gebruikelijken naam, ter eere van den tweeden keizer, AUGUSTUS, die in deze maand voor het eerst aan het bewind gekomen was en in haar onder-scheidene overwinningen behaald had. Waarom zij Oogstmaand heet, zal wel geen onzer lezeressen vragen. Het is een heerlijk gezigt als de landman de rijke vrucht des akkers huiswaarts haalt; het stemt tot dankbaarheid aan den Schepper, als Hij “Zijn milde hand opent en verzadigt al wat leeft.”

In den kerkelijken almanak is de oogst in de Oogstmaand zeer schraal. Van de zeven vrouwen, wier vierdagen in Augustus vallen – SUSANNA (11), CLARA (12), JUDITH (17), HELENA (18), JOHANNA FRANCISCA (21), ROSA VAN LIMA (30) en ISABELLA (31) is er eigenlijk slechts ééne, van wie ik aan de geëerde leze-ressen van dit tijdschrift iets weet te zeggen; van de overige zijn de berigten òf kennelijk verdicht, òf in ’t geheel niet voor handen. Die ééne is HELENA, de moeder van CONSTANTIJN DEN GROOTE, den eersten Romeinschen keizer die het christelijk geloof aannam, den vorst die het christendom verhief tot godsdienst vam dem Romeinschen Staat. Algemeen schrijft men dien stap ten deele toe aan den invloed zijner moeder, die gemalin was geweest van keizer CONSTANTIUS CHLORUS, doch door dezen verstooten. Omtrent HELENA’S afkomst en lotgeval-len zijn allerlei verhalen in omloop, waarop, om mij van eene gemeenzame spreekwijze te bedienen, “De lombard geen geld zou geven.” Ook haar naar ’t schijnt vurige ijver voor het christelijk geloof heeft aanleiding gegeven om hare geschiedenis op te sieren met verhalen, zoo als alleen in dien tijd konden ontstaan en gedurende de bijgeloovige middeleeuwen worden voortgeplaat. Dat HELENA uit vromen zin eene reis naar Palestine gedaan heeft tot het bezoeken der plaatsen die vermaard zijn door voorvallen uit de geschiedenis van den Zaligmaker, – daarin is niets onwaarschijnlijks, even weinig als wij de mogelijkheid betwisten willen, dat deze keizerin de stichteres is geweest van eenen christleijken tempel ter plaatse, daar de overlevering aangewezen als het graf van den Heiland –