De Gracieuse 1863 | Page 216

208 BETLEY-HALL.

vaders opgroeide. Maar zoo uwe Majesteit het goedvindt, de maaltijd is gereed.”

“Wist ik dat gij de betrekking aanvaardet, ik benoemde u tot gouverneur mijner kinderen; want de taak der opvoeding is u wonder goed toevertrouwd,” sprak schertsend de koning, ter- wijl hij JANE den arm bood om haar naar de eetzaal te geleiden. De tafel waaraan de voornaamste heeren uit ’s konings gevolg mede aanzaten, was naar men gissen kan, ruim en rijk voor- zien, maar, wat meer te verwonderen was onder de bestaande omstandigheden, de stemming was vrolijk en levendig, en reeds brak de morgenschemering aan toen de koning opstaande, het feest besloot en ieder der heeren het voor hem gastvrij gereed gemaakte vertrek opzocht.

SLECHTS EEN KIND.

Ik bezocht, zooals dat dikwijls mijne gewoonte is, den rus- tigen godsakker; mijn oude bekende, de doodgraver, was weder aan zijn naargeestigen arbeid, het delven eener grafkuil, wat hem echter zo treurig niet toeschijnst. De oude is op zijne wijs een filosoof; en zoo rookte hij ook nu regt smakelijk zijn pijpje, terwijl hij een oogenblik het werk stakend en leunende op zijne spade, mij met het vriendelijkste gelaat der wereld begroette.

“Wie moet hier begraven worden?” vroeg ik. “Slechts een kind,” was het onverschillige antwoord.

“Slechts een kind,” dacht ik en stapte verder. “Slechts een kind,” Gij oude man, die deze drie woorden zoo rustig kunt uitspreken, gij kent er de beteekenis en het gewigt niet van. Gij weet niet hoe eene moeder gevoelt. Gij hebt niet elken avond het blonde kopje in zijn kussen neergevleid, en eerst dan het zout des slaaps genoten als de kleine fluweelzachte hand rustte op uwe borst. Gij hebt niet uit die heldere, blaauwe oogen den eersten blik opgevangen van het ontwakende geestesleven, hebt niet op dat kleine gelaat gestaard om er geliefde trekken