BETLEY-HALL. 207
van prins ROBERT brengt mij terug; hij acht hier alle verloren en raadt mij den vrede aan tot elken prijs.”
“Tot elken prijs, dat verhoede God,” riep de oude LANE met jeugdige drift; “uwe Majesteit zal alleen vrede sluiten, wan- neer de rebellen ootmoedig daarom bidden.”
“Wanneer ik,” antwoordde hoog ernstig de koning, “oorlog voerde om andere redenen, dan ter verdediging mijner gods-dienst, mijner kroon en mijner vrienden, dan zou het mij wel-ligt geoorloofd zijn vrede te sluiten. Als staatsman en ook als soldaat mag ik toegeven dat mijn ondergang onvermijdelijk is, maar als christen mag ik niet gelooven dat God de rebellen zal laten zegevieren en het regt te schande doen worden. Welke persoonlijke straf het Hem behagen moge mij op te leggen, niets zal mij bewegen om deze overtuiging op te geven en dezen strijd te staken. En zoo ben ik teruggekomen om mijne vrien-den om mij heen te roepen en met hen te overwinnen of te sterven. Ik heb in groote overhaastig gereisd, heb naar deze streek, waar ik mij nog veilig acht, het grootste deel mijner krijgslieden vooruitgezonden en ben met eene kleine schaar slechts gekomen, om mij bij u eene korte rust te gunnen.”
KAREL had gesproken met de kracht der overtuiging, met die geestkracht hem somwijlen eigen en waardoor hij dan de hem omringenden medesleepte, maar die hem, helaas! even snel weder verliet en vaak juist in die oogenblikken wanneer ze hem het noodigst geweest ware. Ook sir ROBERT en zijne dochter waren diep getroffen door de waardigheid en verhevenheid des konings en de laatste riep uit: “Uwe Majesteit zal en moet overwinnen, want God zal Engeland niet berooven van zoo edel een vorst.”
“Deze woorden uit zoo schoonen mond zijn ons een goed voorteeken,” antwoordde de koning hoffelijk; “maar vergeef ons, edele jonkvrouw, zulke ernstige gesprekken passen niet in de tegenwoordigheid van bekoorlijke vrouwen.”
“Mijne dochter, mijn koninklijke heer, is, ofschoon nog jong, aan zulken ernst gewoon,” sprak de baronet, “zoo als dat wel niets anders kan in eenen tijd als deze, en voornamelijk bij eene dochter die zonder moederlijke leiding slechts onder toezigt haars