206 BETLEY-HALL.
derde eene kleine ruiterbende de hoofdpoort en op het eerste kloppen werden de breede vleugeldeuren ijlings geopend.
Op het slotplein stond met ontbloot hoofd sir ROBERT LANE, hij hield de stijgbeugel voor zijnen vorst en geleidde hem onder de eerbiedigste begroetingen naar de pronkverstrekken van het slot, die alle geopend en schitterend verlicht waren, en waar miss JANE, naar ’s vaders wensch in keurig feestgewaad, den koning op het vriendelijkst welkom heette.
Koning KAREL I was nog altijd een schoon man, een indruk-wekkende, gebiedende verschijning, al had ook de ondervinding der laatste jaren hem nedergebogen, al hadden de zorgen en het verdriet van in zijn eigen land een vlugteling te zijn, ge-scheiden van wie hem het liefste waren, zijn voorhoofd en wan-gen doorploegd met diepe en talrijke rimpels. Met opgerigte gestalte volgde hij zijnen gastheer, reikte hem, toen zij de zaal binnentraden, zijne hand ten kus, liet zich de diepbuigende dame terstond voorstellen, beroerde vlugtig met de lippen hare frissche wang en toonde in zijn gansche gedrag eene waardigheid en genadigheid, als ware hij niet een vlugteling maar een heer-schend monarch, in het volle bezit zijner magt, die hier geko-men was om door zijn bezoek eenen onderdaan de hoogste eer te bewijzen.
“God zegene Uwer Majesteit binnentreden in mijne arme woning,” sprak sir ROBERT LANE.
“Ik dank u, LANE,” antwoordde de koning, “ik kom onver-wachts, maar toch daarom, hoop ik, niet ongelegen.”
“Mijn huis is een groot heil wedervaren, zoo zeide ik tot mijne dochter bij het eerste berigt van uwe terugkomst, en ik herhaal die woorden in de tegenwoordigheid van uwe Ma-jesteit.”
“Maar het moet u verwonderd hebben dat ik zoo spoedig Wales verliet?”
“Het past mij niet de daden mijns konings te beoordeelen of mij daarover te verwonderen,” antwoordde sir ROBERT LANE met waardge bescheidenheid.
“Toch meenen thans velen dat hun nog vrij wat meer toe-komt,” zei de koning met zwaarmoedigen glimlach. “Een brief