De Gracieuse 1863 | Page 213

BETLEY-HALL. 205

Het binnentreden haars vaders wekte JANE uit haar treurig gepeins. Zeker zou op elken anderen tijd sir ROBERT LANE de verwarring in gelaatstrekken en bewegingen bij zijne lieveling terstond hebben opgemerkt, vooral ook de drigt waarmede JANE haren brief verborg. Heden echter verkeerde de baronet zelf in te groote overspanning dan dat hij die zijner dochter zou bespeuren: ook hij hield een geopenden brief in de hand en terwijl hij dien zijne dochter overreikte, sprak hij diep ge-roerd:

“Lees, JANE, welk eene groote eer mijn huis is toegedacht; mijn koning komt en zijn geheiligd hoofd zal rusten onder mijn dak.”

“De koning komt?” vroeg JANE ontzet, want bliksemsnel trof haar de gedachte dat ook CLEMENT terzelfder tijd zou kun-nen aankomen.

“Hij komt nog dezen nacht; een bode bragt mij zoo even dit berigt. Koning KAREL heeft Wales weder verlaten om zich naar York te begeven, en daar zich met MONTROSE aan te sluiten. Dat is een roemvolle dag voor ons en ik wenschte dat CLEMENT hier ware om dien met ons te vieren.”

JANE wilde antwoorden, zij wilde slechts onbestemd haren vader doen begrijpen, dat hij welligt zich vergissen kon in CLE-MENTS inzigten, maar zij kon het woord niet uitspreken, dat (zij kende daaromtrent haren vader) voor altijd den geliefde uit zijn huis verbannen, uit zijn hart scheuren zoude. De vrolijk gestemde sir ROBERT liet haar dan ook niet veel tijd tot het be-denken van eenige gepaste inleiding. Met jeugdige levendig- heid spporde hij zijne dochter aan tot het spoedig maken van toe-bereidselen ter waardige ontvangst van den doorluchtigen gast, “want,” zeide hij, “zijne Majesteit moet weten dat hij zich onder het dak bevindt van een loijalen onderdaan, en al ben ik niet zoo rijk als de markies VAN WORCESTER, toch zal mijn koninklijke meester bij mij niet minder onderscheiding genieten dan hem te beurt viel op het slot Raglan.”

De nacht dakte de aarde met zijnen digtsten sluijer, maan en sterren glansden aan den donkeren hemel, geheimzinnig ruischten de hooge ahornboomen rond Betley-hall; daar na-