BETLEY-HALL.
I.
Vriendelijk en zacht breidde een heldere Augustus-avond zich uit over de lagchende velden van Staffordshire. Van menigen akker klonk het gezang der maaijers, die daar sints den vroe- gen morgen de gouden graanoogst hadden ingezameld en op zwaar beladen wagens heengevoerd naar de voorraadschuren, waarvan eenige het eigendom waren van het aan Betley-Hall grenzende dorp; de meesten echter behoorden tot de uitgestrekte goederen van het slot zelf. Het schoone landschap, bestraald door het gouden licht der avondzon, lag daar als een beeld van tevredenheid en geluk en scheen volkomen den naam te regt-vaardigen, dien het allerwege droeg – het lustige Oud-En- geland.
Dan, ach! het was niet meer het lustige Oud-Engeland der goede koningin BES, zooals het volk zijne groote koningin ELI-SABETH gedoopt had. Men schreef het jaar 1645; koningin ELIZABETH rustte reeds meer dan veertig jaren in haar graf, ook koning JACOBUS I, de zoon der door haar zoo gehaatte MARIA STUART, leefde niet meer en bloedige, bittere twisten waren er ontstaan onder de regering van zijnen opvolger KAREL I.
De noodlottigste aller oorlogen, de burgeroorlog, woedde nu in Engeland; de aanhangers van het parlement en de konings-vrienden stonden vijandig tegenover elkaâr en eerst voor wei-nige weken, in Junij 1645, hadden de laatsten bij Nasby eene volslagen nederlaag geleden, waardoor de zaak des konings op een hoogst bedenkelijk standpunt geplaatst was. Als vlugteling was hij de graafschappen Derby, Warwick, Stafford en andere doorgesneld, van de eene stad, van het eene kasteel naar het andere en had zich vooral in deze laatsten mogen verheugen in de hartelijkste ontvangst; want nog waren er, vooral in dat gedeelte van Engeland vele grondeigenaars, die met onwrikbare