De Gracieuse 1863 | Seite 206

198 DE WONDEREN VAN ééNE NACHT.

Voor den zachten adem van den nachtwind versmolt de sneeuw, die nog hier en daar den grond bedekte, en snel ontsproot aan de verzachte aarde het zacht groene gras, waaruit met vriende-lijken blik de viooltjes het hoofd opstaken. De bloembedden dekten zich met veelkleurige bloemen, inlandsche en uitheem-sche gewassen slingerden dooreen in bonte mengeling; knoppen ontsproten aan het bladerloos geboomte en dra bogen zij zich onder het rijkste bloesemkleed. De wijngaard wond zich los uit het stroohulsel dat haar beschutte, begon zich ijlings te ont-wikkelen, omslingerde toen met haren bladerenkrans het ven-ster van de predikantswoning, en vereenigde zich als ten kroon met laurierboom en palm. Huiswaarts gesneld uit verre landen wiegde zich de nachtegaal op eenen rozenstruik met knop en bloem getooid; het bontgevederde vogelenkoor vloog van tak tot take; meikevers snorden, bijen gonsden, de geheele natuur vierde een weelderig lentefeest. Daarboven nu straalde een hel-dere nachtelijke hemel, maan en sterren blikten neder in den tuin en zonden haar zilveren schijnsel door het venster van een kamertje, waarin zoo juist de lente hare schoonste gift had nedergelegd aan den boezem eener jonge moeder – een aanval-ligen kleinen knaap.

Was die nieuwgeborene dan zoo hoog gezegend een menschen-kind? Ja, hij was dat, al overdekte geen troonhemel zijne kleine rustplaats, al zou geen gouden band ooit zijn jeugdig voorhoofd omsluiten. Hij was geboren met eene hoogere, on-vergankelijker kroon. De bloemen begroetten hem en bragten hem elk hare beste schatten. Van het viooltje ontving hij de bescheidenheid, van de hagedoorn de zachtheid en tederheid, van de tulp hare schitterende kleurenpracht, van de roos den gloed der warme liefde, van nachtviool en anjelier den heer-lijken krachtigen geur. De wijngaard gaf hem het vuur harer kostelijke druiven, laurier en palm weefden hunne takken ineen tot een beschermend dak, immortelle, vergeetmijniet en klimop schonken hem de onsterfelijkheid. Ook de dierenwereld bleef niet achter. De nachtegaal ademde den jongen sluimerende in het nederige kamertje zijne smeltende toonen in de borst, de vlinder gaf hem zijne dartelende vlugheid, de bij hare werk-