De Gracieuse 1863 | Page 202

194 CACHEMIR.

het eenige volledige. VON HÜGEL heeft zich niet bepaald tot het verhalen zijner verschillende reisontmoetingen, tot het keu-rig beschrijven der plaatsen die hij bezocht, hij heeft zich ook geduldig toegelegd op de beoefening der geschiedenis van Ca-chemir, en heeft ons die geschetst volgens de indische en mu-sulmaansche overleveringen, van af haren duisteren oorsprong tot hare laatste lotwisselingen. Gedurende zijn verblijf te Ca-chemir heeft hij de zeden, het karakter, de bronnen van land-bouw en nijverheid van de bevolking onderzocht, benevens het klimaat, den bodem en het plantenrijk van het dal en de om-liggende bergen. Aan deze inspanning beide van ligchaam en geest danken wij een werk van zeldzame naauwgezetheid, eene uitmuntende handleiding tot de kennis van het poëtisch schoon gebeid van Cachemir.

Het dal van Cachemir, gelegen tusschen de 30° 40´ en de 34° 34´ noorderbreedte en 74° en 75° lengte heeft een langwer-pigen vorm van zes tot veertig mijlen breedte en vijf en twin- tig lengte; de geheele oppervlakte beslaat 1700 vierkante mij- len en verheft zich 5,818 voet boven de oppervlakte der zee. Een zijner bergtoppen, de hoogste, is ruim 14,000 voet hoog. Langs de helling dier bergen ziet men den weligsten plan-tengroei, afgewisseld door heerlijke valleijen waar de beste Europesche vruchtboomen hunne schaduw verspreiden; appel-, pruimen- en abrikozenboomen vindt men er naast wijngaarden van eene verbazende uitgestrektheid. Van den top der steile rotsgevaarten stort zich de woeste bergstroom neder, of de on-stuimige wateren of ook de heldere beek die met hare zilveren golfjes de rijstvelden bespoelt. Midden in het dal verheffen zich de paleizen der oude koningen, de huizen der kooplieden, de hutten der landbouwers; de lusthuizen der sultans, eertijds zoo lagchend en nu geheel verlaten, spiegelen zich nog immer be-haagziek in het water der meren, de rozenstruiken groeijen we-lig langs den oever der beken en de rijstvelden slingeren zich langs staf en dorpen. Op korten afstand van daar, op den top der bergen, heerscht diepe stilte en eenzaamheid; daar vindt men het woud waar nimmer de bijl des houthakkers zich verstoutte door te dringen; de steile rots die geen menschenvoet immer