De Gracieuse 1863 | Page 203

CACHEMIR. 195

betrad; de woeste vlakte waar geen andere geluiden vernomen worden dan het gedruisch van den waterval, het gegons der insekten en het gezang der vogelen. Binnen den reusachtigen gordel van bergen, die het van alle zijden omsluit ligt het dal van Cachemir als een fonkelende smaragd te midden der uitge-strekte landen van Indië. Het is eene kleine wereld op zich- zelve, die aan den voet harer rotspyramiden, harer besneeuwde bergtoppen den wijsgeer eene eenzame schuilplaats biedt, ter-wijl hare lagchende bloemvelden eene zoete woonplaats schijnen voor verliefde droomerijen. Men treedt het dal alleen binnen langs enkele enge en moeijelijke bergpassen, en niet één toegang vindt men er voor den woesten stormwind. En toch, geduchter nog en meer vernielend dan deze, zijn roofzieke soldaten-ben-den daar doorgedrongen, en hebben die groene oase vertrapt en met bloed overdekt. Het water der meren is er steeds vlak als een spiegel: de bewoners kunnen er zomer en winter zonder letsel hunne ligte kleeding dragen. “Zoo deze bodem,” zegt VON HÜGEL, “al niet naar de overdreven spreekwijs der Indiërs, de zetel der eeuwige lente mag heeten, zeker toch is er geen an- der waar het klimaat gezonder is en aangenamer.”

Het is zeker dat dit dal in vroeger tijden niet anders dan een groot meer is geweest. Alles wijst dit aan: de aard van den grond, de fossiliën die men er vindt en de overleveringen van het volk. Eene oude musulmaansche legende vertelt dat SALOMO zich door de Geniën naar een naburigen bergtop liet dragen; van daar ziende hoe nog de wateren van den zondvloed de gan-sche vlakte van Cachemir bedekten, beval hij eenen zijner too-verkrachtige dienaren, KASCHEF genaamd, deze te doen weg-vloeijen. Op den dus bevrijden grond bouwde een andere genius MIR genaamd, eene stad; van de vereeniging nu dier beide na-men, zegt de overlevering, kwam de naam Cachemir.

Eene andere nog deelt mede dat eertijds op den berg Soliman een vroom pelgrim woonde, afstammeling van Bralma en KASCHA genoemd. De kluizenaars die een vroom leven leiden, zijn van de goden bemind en kunnen groote wonderen verrigten. Deze riep op zekeren dag MATTA aan, de echtgenoot van SIWA. Zij vertoonde zich en vroeg naar zijn begeeren. “Ik smeek u,”