De Gracieuse 1863 | Seite 199

CACHEMIR.

I.

Het dal van Cachemir, door de Person genoemd “de onver-gelijkelijke grond,” door de Indiërs “de vallei der eeuwige lente,” die landstreek eertijds zoo prachtig dat THOMAS MOORE er het paradijs plaatste van LALLA ROOKH, is ons hoofdzakelijk bekend door de rijke en schitterende weefsels die men in de schoonste magazijnen van Europa aantreft.

Dat noordelijk gedeelte van Indië werd dan ook door nog slechts zeer weinig Europeanen bezocht; wij herinneren ons om-trent vijf reizigers die het beschreven hebben en het ons ach-tereenvolgens voorstellen in de verschillende phasen zijner ge-schiedenis, in zijn vroegeren welvaart, in zijne verdrukking en vernedering, in zijn diep verval.

De eerste Europeaan, die de hooge bergen overschreed, wier ijsspitsen het bloeijende dal van Cachemir omgeven als met schitterende kroon, was de Jezuit PIERRE XAVIER, bloedverwant van den grooten zendeling wien de kerk den naam toekende van apostel van Indië. In 1572, twintig jaren na den dood van zijn moedigen voorganger op Indischen bodem, betrad PIERRE XAVIER het grondgebied van den keizer van Mongolie. Deze, ACHER DE GROOTE, ontving hem met welwillendheid, ho-pende door hem eene nieuwe godsdienst te stichten, waarin zich al de verschillende sekten van Indië zouden oplossen. Hij ver-trok dus met den keizer naar Cachemir; zijne beschrijving van die reis is echter weinig belangwekkend.

Door een Fransch reiziger, FRANÇOIS BERNIER, werd ons de vallei van Cachemir eigenlijk eerst regt goed geschetst. BERNIER, jong, bezield door dien rustelozen geest, die den mensch vaak zoo verre voert over de bekrompen grens hem schijnbaar door het lot gesteld, had al de eigenschappen van den waren reizi- ger en ook die weetgierigheid die geene gevaren schuwt. Op negen en twintigjarigen leeftijd verliet hij Frankrijk, zonder een bepaald reispla gemaakt te hebben, gelukkig alleen van te