CONSTANCE CHORLEY. 189
willen weten, waarom weet ik niet, schoon hij zeide, dat het ondeugende nest haar broertje’s kop op hol had gemaakt. Het meisje moet zich met den knaap ergens hebben weten in te dringen, waar men de kinderen – of, een kind is zij juist niet meer – heeft opgenomen. Om nu den jongen terug te krijgen volgde de vader hun spoort. Nacht nog dag liet hij nar, op de loer te liggen, en eindelijk gelukte het hem, den jongen ’s nachts van zijn bedje te ligten en mede naar huis te nemen.”
“Wat zegt gij daar?” riep KRIS in de uiterste spanning uit.
“Mijn waarde heer,” antwoordde de onthutste paardenkoo-per, “ik heb geen namen genoemd en men kan er mij niets voor maken.”
“Dat is hier de vraag niet,” riep KRIS uit, “het is alleen de vraag of het waar is dat de vader zijn zoontje ’s nachts heeft weggehaald.”
Waar en waar is twee,” liet zich de wat voorzigtiger gewor- den verteller hooren. “Ik heb het hem zelf hooren zeggen, en ik moet er bij zeggen, dat hij gelijk heeft ook. Want naar zijn zeggen loerde de kleine heks maar op eene gelegenheid om zich van haar broertje te ontdoen, en was het knaapje zoo bevreesd voor haar….”
“Dat is gelogen, vierkant en duizendmaal gelogen,” riep KRIS met drift uit.
“Wie gij zijt, jongeheer, weet ik niet, maar daar ik geene namen genoemd heb, kan niemand mij iets maken, en van u noch van iemand wacht ik af, dat men mij een logenaar noemt.”
“Dat zeg ik niet, maar dit zeg ik, dat het eene allerschande-lijkste onwaarheid is, STANCE te beschuldigen van iets verkeerds omtrent DUKE. Zij hangen aan elkander zoo als misschien nooit broeder en zuster. Maar de vader, die zoo iets durft te zeggen, is een verworpeling, die als een roover ’s nachts in eene woning sluipt als er toevallig niemand bij de hand is en de deur een oogenblik openstaat. Nu is mij een licht opgegaan.”
“Gij schijnt van die geschiedenis meer te weten, heerschap,” zeide een der andere paardenkoopers. “Wat is er van de zaak?”
“Niets,” beet hem KRIS toe. Haastig betaalde deze zijne ver-tering en verliet de gelagkamer, daar den smid gevolgd, die