188 CONSTANCE CHORLEY.
“Men kan niet te voorzigtig zijn,” zeide de paardenverkooper met een bedenkelijk gezigt, terwijl hij zich den baard voelde, alsof hij wilde vragen: zou ik geschoren moeten worden of niet?
Die zekere iemand dan, heel ver hier van daan, had ook den rooden haan in zijn huis te kraaijen gezet, en toen er geruch- ten begonnen te loopen, ook te kennen gegeven, dat het zijne deern van een dochter gedaan had. Verstaat mij wel, mijne heeren, ik zeg niet dat het te Lympton was, en ook niet dat hij SORLINGS heette.”
“O, gij wilt zeggen CHORLEY, want zoo heet hij, DANIËL CHORLEY,” merkte HINCHLEY aan.
“Zwijg, gij zijt hier de knecht, en als men u niets bestelt behoeft gij niets te doen, en als men u niets vraagt, niets te zeggen,” beet hem de paardenkooper toe.
“Ik noem niemand mijne heeren, men kan niet te voorzigtig zijn. In het eerst, wilde ik dan zeggen, maar men moet mij niet in de reden vallen, liepen de geruchten dat hij het zelf, de man dien ik niet noem, gedaan zou hebben. Maar anderen verwierpen die aantijging als blijkbaren laster. Men had hem zoo ijverig zien blusschen, nooit zoo gezien, en dergelijke. En hij had twee kinderen in ook, een jongen en een meisje. Om het meisje zou hij nu zooveel niet gegeven hebben, maar de jongen lag hem na aan het hart. Of hoe moet ik het zeggen? want een hart heeft de kerel niet, zoo als gij zult hooren. Dat de brand in huis was aangekomen, ontkende hij niet; maar ja, hij liet zich verluiden, dat het meisje het gedaan had, weetje, zijn dochtertje, eigenlijk opdat het jongetje zou omkomen, want dan moest zooveel als eene erfenis voor haar zijn.”
“En dat zou een kind bereke….”
“Ik verzoek nog eens, dat gij mij niet in de reden valt. Hij zeide het ook, maar niemand geloofde hem. Om kort te gaan, het meisje werd gered, het jongetje ook, hoe dat doet er nu niet toe. De vader dan verklaarde met ronde woorden, dat het jonge ding de boel had aangestoken, en dat hij haar daarom op straat had gezet. En wat den jongen betreft – daar komt nu eigenlijk het wonderbaarlijke van de geschiedenis aan. De jon-gen was zijn zusje gevolgd en had van den oude niets meer