CONSTANCE CHORLEY. 187
De paardenkooper scheen door zijn verhaal zelf in woede te geraken. Hij stampte met zijne zweep op den grond en sloeg met de vuist zoo hard op de tafel, dat de glazen er van rin- kinkten.
“Nog een glas sterk en heet!” riep hij HINCHLEY toe, die het gevraagde aanstonds bragt.
Inmiddels was een der andere paardenkoopers opgestaan en had den mond digt bij zijn oor gebragt. Na de omgebogen hand om het oor van zijnen medgezel te hebben gelegd, fluisterde hij deze iets in, waarop de ander eenen vlugtigen blik op KRIS wierp en half binnensmonds prevelde: “nu ja, het is mogelijk, maar ik zier er dien jongen niet voor aan; voor zulke dingen nemen ze zulke vlasbaarden niet; maar enfin, ik kan ook even goed voorzigtig zijn. Laat het met dat al zijn wat het wil – het moet er uit, maar zoo, dat de lange armen van de justitie mij nier voor laster bij den kraag kunnen krijgen.”
Terwijl hij zich omkeerde, stiet hij met zijn arm het voor hem gereed gezette glas punch omver; het glas rolde op den grond en wel in duizend stukken.
“Wat doe je dat daar ook te zetten?” vroeg hij barsch aan HINCHLEY; “maar gij kondt ook niet weten, knaap, dat ik met mijn arm zoo zou zwaaijen. Fluks, een andere bowl, en onder de hand zal ik de heeren eens een historietje vertellen. ’t Is hetzelfde wat wij praten, en voor de waarheid sta ik u in, want ik heb het uit den eigen mond….”
“Van wien,” viel DRUSLEY hem in de reden.
“Ja, man, of mijnheer, daar zit het hem juist; men kan vertellen wat men wil, als men maar geen namen noemt. Nu dan, een zeker iemand – let wel, mijne heeren, ik zeg niet dat het die je weet wel van den brand was. Maar het was toch ook van brandstichting; een geheel ander man dien ik niet noem, ik zeg niet dat hij te Lympton woont, en hoe hij heet, dat doet er nu niet toe.”
“Moeder CATLIN,” zeide een der gewone bezoekers van de herberg, “ik zou eerst nog maar een ketel water voor de punch te vuur zetten, want als die vertelling zoolang wordt als het schijnt, hebben wij geen van allen aan ons glas genoeg.”