184 CONSTANCE CHORLEY.
God weet het! – spoorweg-ingenieur zou worden, maar of hij de man zou worden van LEENTJE, – toen stond de tooverlan-taarn hunner ouderlijke verwachtingen ten minste op vasten grond en verstonden de echtelingen elkander, als zij hun nieuws-gierigheid uitdrukten naar hetgeen er van “dien verwaanden STOFFEL” worden zou.
Die “verwaande STOFFEL” maakte het volgens de berigten der heeren GWYNNE en HARDELL zeer goed, uitmuntend zelfs; en toen hij het volgende jaar voor éénen dag thuis kwam, daar hij in de nabijheid eene zaaimachine had moeten bezorgen, vond moeder EEF, dat hij het goed had en goed maakte – twee za- ken, die, te zamen genomen, volgens hare huishoudelijke bere-keningen eigenlijk het leven uitmaakten.
“Nog niets?” vroeg hij aan CONSTANCE, toen hij haar in treurig gepeins aantrof.
Zij begreep wat hij meende, ook zonder nadere verklaring, en ’t was daarom, dat zij onmiddellijk, het helder blaauwe oog naar hem opslaande, antwoordde:
“Nog niets!” Maar al gevoelde zij berouw, dat zij KRIS met een van haar standpunt min of meer ontwijkend antwoord af-gescheept had, voegde zij er in éénen adem bij: “Men kan op JAAP te Iversham zoo weinig rekenen; hij schijnt bij wijlen half gek, anders –”
“Anders –” herhaalde KRIS, om haar uit te lokken, dan af-gebroken volzin te voltooijen.
“Zou ik zeggen,” heette het aarselend, “dat – maar ’t waren niet meer dan toespelingen…. Ach! KRIS, wat zou het te zeg- gen zijn als gij u eens over uwen vader moest schamen! Die goede heer VALLON!”
KRIS begreep nog al spoedig de zamenstelling van een werk-tuig, zoodra hij er slechts een paar raderen en een paar hef-boomen van gezien had. Maar hiervan begreep hij niets. Had zijn vader, de goede, eerlijke, brave wagenmaker VALLON iets gedaan, waarover hij, zijn zoon, zich te schamen had? Zoo scheen het wel, en ’t was als begreep CONSTANCE dat zij aan dezen schijn voedsel had gegeven. Haastig voegde zij er daarom bij: “Neen, KRIS, ik spreek niet van uwen vader, maar indien