DE MAAND JULIJ. 173
(20); MARIA MAGDALENA (22) en MARTHA (29). Uit de gewijde geschiedenis kennen wij de vrouw, die de eerste was welke den herleefden Heiland aanschouwde na zijne opstanding benevens de zuster van LAZARUS, bij wier naam men ter-stond denkt aan het beeld eener bezige, druk bedrijvige huismoeder. Geheel on-bekend zijn mij, en dat zal waarschijnlijk ook wel met de geëerde lezeressen het geval zijn, LANDRADA (8) en AMEIBERGA (10); van GODELIVA (6) weet ik alleen, dat zij in de elfde eeuw leefde en door haren echtgenoot BERTHOUD, een edelman in het tegenwoordige België zeer mishandeld en ten laatste om het leven gebragt werd; maar waaraan deze ongelukkig vrouw eene plaats in den Almanak te danken heeft, kan ik aan onze geachte lezeressen niet zeggen. Tot de minder bekende mogen wij, vergis ik mij niet, wel rekenen ANNA (26), volgens de ker-kelijke overlevering de moeder van MARIA, de moeder van JEZUS. Daar zij ech-ter eerst in de vierde eeuw vermeld wordt en de haar toegedachte geschiedenis klaarblijkelijk met eene zoo tastbaar ongerijmde menigte verhalen is opgesierd, dat men ze gerust kan verwerpen, zullen wij haar stillekens laten rusten. Voorts noemt de kalender in deze maand nog ELISABETH (5), eene Spaansche prinses, die de gemalin was van den Portugeschen koning DIONYSIUS. Zij overleed in het jaar 1336 en werd in het jaar 1525 heilig verklaard, vermoedelijk omdat zij na den dood van haren gemaal den geestelijken stand omhelsd en een klooster te Coimbra gesticht heeft, dat nog heden ten dage een der vermaardste van Portugal is.
Van het kerkelijke tot het wereldlijke overgaande, verwijzen wij u voor den 7den Julij naar hetgeen wij in deze zelfde maandaflevering schreven over JEANNE D’ARC. Voorts willen we maar liefst heeuglijden over hetgeen op den 9den kan worden aangeteekend als plaats gehaed hebbende in het jaar 1762: de troonsbe-klimming van CATHARINA II, Keizerin van Rusland. De vele goede eigenschappen toch, die haar als regerende vorstin kenmerkten, worden maar al te zeer bezoe-deld door het zedeloos gedrag, dat haar als vrouw verachtelijk maakte, zoodat wij op den dank onzer kiesche lezeressen rekenen, als wij even weinig over deze vorstin uitweiden als over de zedelijk nog veel dieper gezonkene MARIA MAGDA-LENA D’AUBRY, markiezin DE BRINVILLIERS, over wie den 16den Julij 1676 een doodvonnis werd uitgesproken, dat zij duizendmaal had verdiend. Van hare los-bandigheid zwijgende behoeven wij alleen te zeggen dat zij van zekeren Godin de St. Croix de kunst geleerd hebbende om die in ’t geheim en langzaam werkende vergiften te bereiden, welke onder den naam van poudre de succession bekend zijn, daarmede haren vader, hare zuster en twee harer broeders, behalve nog vele andere personen, om het leven bragt.
Ook met bloed bevlekt, maar op gansche andere wijze staat het beeld voor ons van CHARLOTTE CORDAY, de dochter van eenen landedelman te St. Saturnis bij Caen. Vervuld met afgrijzen over de vreeselijke moordtooneelen van het schrik-bewind in haar vaderland, vatte dit meisje, toen 24 jaren oud, het voornemen op om door het ombrengen van den afschuwelijken MARAT den moordkuil te dem-pen, waarin Frankrijk dagelijks meer wegzonk. Zij bragt inderdaad met zeldzame