168 JEANNE D’ARC.
hare hoogere zending rukt het naar Orléans, en op den 29sten April 1429 wappert hare zegevierende vaan van de wallen der bedreigde stad. Van dat oogenblik af wordt zij de schrik der vijanden en de bewondering harer landgenooten, die haar aan-merkten als een hooger wezen. De overtuiging harer goddelijke zending doet de Fransche legerscharen in geestdrift ontvonken. Waar de vijand wordt aangevallen staat de wonderbare maagd aan de spitse der heirkracht, en schoon in ’t midden van den aanval schijnt zij onkwetsbaar voor kogel en zwaard. Bovendien maakt zij eenen onwederstaanbaren indruk door hare houding in den krijg. Vrolijk wappert haar de witte vaan boven den blinkenden helm als zij de dapperen aanvoert ten strijde en het heilig zwaard opgeheven houdt in de regtervuist, maar geen bloedspat wordt op het blanke staal gezien, omdat zij zelve op geen vijand aanvalt, en blank als haar zwaard is haar ge-moed, want de edele jonkvrouw dwingt ieder eerbied af door de onbesmette zuiverheid harer zeden. Als een eenig man staan op hare roepstem de Franschen op, de eene stad na de andere verdrijft de Engelschen en spoedig na de verwonderlijke be-vrijding van Orléans beleeft JEANNE den 17den Julij 1429 den glansrijksten dag van haare leven: zij geleidt den dauphin naar de eerwaardige hoofdkerk van het door haar bevrijde Rheims; zij is er getuige van dat de bisschop de heilige olie laat drup- pelen op het hoofd van KAREL den VIIden, en duizend stemmen juichen ter eere van hem en van Frankrijks heldhaftige bevrijd-ster, die hem bij die plegtigheid het vaandel boven het hoofd hield en de eerste was, die hem knielend als koning begroette.
Thans achtte JEANNE hare levenstaak vervuld en wenschte niets liever dan in stillen vrede terug te keeren naar hare ouders en hare kudden. Maar de koning, min ontvonkt in edele erkentelijkheid dan zijne belangen berekenend, wist haare te belezen om zich aan het hoofd des legers te blijven plaatsen ter algeheele verdrijving van de Engelschen en van hunne bond-genooten de Bourgondiërs. Maar ’t scheen van toen af als was haar eigen vertrouwen op hooger ingeving verzwakt en werkte dit nadeelig terug op dat hetwelk door het leger in haar ge- steld werd. Er kwam bij, dat de opgewonden geestdrift der