JEANNE D’ARC. 167
haar echter had die zielsstemming niet dat dweepachtig karak-ter, hetwelk ze als een ziekelijk verschijnsel in het zieleleven doet kennen, maar iets eerbiedwekkends, iets dat de spotzucht onweerstaanbaar beteugelt en even onweerstaanbaar ontzag in-boezemt. Met het godsdienstige harer geestdrift paarde zich innige vaderlandsliefde, toen zij de rampen zag, waarin haar vaderland gestort was door de steeds voortschrijdende verove-ringen der Engelschen, die zich onder hunnen koning HENDRIK den Vden van meer dan half Frankrijk hadden meester gemaakt. Het scheen als had de waanzinnigheid van den Franschen koning KAREL den VIden de handen van zijne onderdanen verlamd, en als had de tegennatuurlijke afkeer der koningin van haren eigen zoon den dauphin ook de liefde der Franschen voor hun-nen geboortegrond uitgedoofd. Weerloos hingen de armen en ongebruikt lagen de wapenen, de moedeloosheid was algemeen, en was de hoop der natie op den jeugdigen dauphin gevestigd, niemand scheen een hart in het lijf te hebben om diens regten en belangen met de wapenen voor te staan.
Daar stond op eenmaal het eenvoudige landmeisje op met de verklaring, dat eene goddelijke openbaring haar had aangewezen als de redster van haar vaderland – en zij werd het; dat zij last uit den hemel had ontvangen om de Engelschen te noodzaken tot het opbreken der belegering van Orléans, en om den kroonprins naar Rheims te brengen en aldaar tot koning te kroonen – en zij deed het. Zij openbaart hare zending, maar men bespot haar. Zij wendt zich tot meer dan eenen legerbevelhebber, maar men noemt haar waanzinnig. Zij verschijnt zelfs voor den dauphin, maar deze laat haar van zich gaan na een naauwkeurig onderzoek te hebben laten instellen naar haar persoon en zeden. Doch zij laat zich niet ontmoedigen. In mansgewaad verschijnt zij, in de eene hand een wit vaandel, in de andere een gewijd zwaard uit de kerk te Fierbois. Het is alsof hare geestdrift eene too-verwerking uitoefent op al wat haar omringt. Schaamte om zich niet door een meisje te laten beschamen doet den eenen naar de wapenen grijpen, ontwaakt gevoel van volksfierheid den an-deren. Zoo verzamelde de achttienjarige herderin een leger om zich; onder den indruk harer geestdrift en in het geloof aan