DE DENNENBOOM VAN VOORHEEN EN VAN THANS.
“Ein Fichtenbaum stecht einsam im Norden auf kahler Höh!” dus zingt HEINE in dat lied, waarin hij met weinige woorden zoo zonderling treffend het geheimzinnige heim-wee schetst, dat de geheele schepping doortrilt als de echo van een eeuwigdurend accoord. Beoogde de dichter alleen eene sym-bolische voorstelling van Noord en Zuid, door middel van de kinderen dier streken, palmboom en den, of werd hij daarbij geleid door nog eene andere, minder oppervlakkige beschouwing? Wij gelooven het laatste. Hij vond eene innige, dichterlijke verwantschap tusschen die beide hoog opgaande stammen, met hunne hemelwaarts gestrekte takken; de lagchende bladerendosch van den eene, het sombere stekelige omkleedsel van den an- dere – ’t gaf hem juist in zijne verscheidenheid een trek van geheimzinnige sympathie. In eenzame droefheid verzonken staat daar voor ons de Den bij kouden, somberen winternacht, kla-gend en zuchtend wanneer de noordenwind langs zijne takken glijdt; maar als bij zachten zomeravond en zilveren maanlicht de adem des zephyrs ze beroert, dan is het als fluisterden en zongen zij, als hoorde men de tooverklanken der Acolus harp. In zulke nachten is de dennenboom verzonken in zoete droomen: dan verrijst voor zijne herinnering het verre verleden en knoopt zich aan beelden van het tegenwoordige.
“Toen nog de goden de schoone wereld beheerschten” be-kleedde de dennenboom reeds eene gewigtige plaats. Cybela veranderde haren beschermeling in een den, en Polyphemus ge-bruikte zulk een’ boom ten reusachtigen wandelstok. De den was aan Poseidon gewijd, en in de Isthmische spelen, die men vierde tot eer der goden, reikte men den verwinnaars als hoog-sten prijs eene dennentak. De Thyrsus, de met wijngaardranken omslingerde staf, dien Bacchus, de lustige wijngod, voerde, liep uit in een dennenknop waarschijnlijk als zinnebeeld van het bij Grieken en Romeinen heerschende gebruik om dennen-knoppen in den wijn te werpen, die daardoor gekruid werd en tegen gisten bewaard bleef.