OVER EDELGESTEENTEN. 147
van het eerste water en den meesten glans; en de trappen heeten: het allereerste water, het eerste water, het tweede water eerste en tweede soort en het derde water. In het alge-meen zijn diamanten eenigzins gekleurd; van al degenen welke gevonden worden, bestaat slechts een vierde gedeelte uit vol-komen kleurlooze steenen. Toch is hunne kleur doorgaans zeer licht. De kostbaarste steenen zijn geel of bruin; terwijl ook velen eene groenachtige tint hebben, doch in dat geval zijn zij niet zooveel waard. Blaauwe en bleekroode diamanten zijn uiterst zeldzaam. Zulke steenen behouden hunne doorschijnendheid en hun’ glans, en sommige – in ’t bijzonder de geele en bruine – overtreffen de kleurlooze diamanten in flonkering. Men zegt dat op Borneo zeer glansrijke en uitnemend harde zwarte diaman-ten gevonden worden.
Een exemplaat van deze was op de Tentoonstelling van 1851, wegende 350 karaat, en deze steen was zóó hard, dat hij iedere poging tot slijpen wederstond. Wanneer diamanten tot poeder gemaakt worden, is de kleur, naar men zegt, grijsachtig zwart, en hoe donkerder dit poeder is, hoe mooijer, – eene particu-lariteit welke niet een ander kleurloos ligchaam bezit.
De diamant is verbrandbaar. COSMOS DE MEDICIS liet in 1694 hiervan door de Accademia del Cimento te Florence, eenige proeven nemen, door een’ diamant in het brandpunt van een groot brandglas te doen plaatsen. De diamant behield zijn vorm, doch werd langzamerhand kleiner en verdween ten laatste geheel. FRANS I liet in 1750 te Weenen, eenige diamanten en robijnen gedurende vier en twintig uren aan de hevigste hitte blootstel-len; de uitkomst was dat de diamanten verdwenen, terwijl de robijnen glansrijker dan te voren werden. Het feit was onbe-twistbaar: de diamanten waren in de hitte opgelost; en latere proeven bevestigden zulks. Doch waren zij verbrand of vlug gemaakt, of slechts in fijn poeder overgegaan? Over deze vraag bestond een hevig verschil tusschen de Parijsche savants en juweliers, totdat LAVOISIER bewees, dat de diamanten allen in de lucht of in zuurstof opgelost kan worden; dat hij verteerd wordt, en dat het overblijfsel van deze vertering koolzuur is. Hieruit leidde hij af, dat de diamant uit niets anders dan kool