146 OVER EDELGESTEENTEN.
gens door steensnijders gekocht en door hen gebruikt om andere steenen te snijden.
PSELLOS beschrijft den diamant als glasachtig en oogverblin-dend, hecht en moeijelijk te beschadigen: de persoon die hem draagt blijft bevrijd van anderdaagsche koorts. In de Middel-eeuwen was de diamant, zoo als wij gezien hebben, niet in aanzien, doch hij heeft nu geheel zijn ouden roem herkregen.
Zijne eigenschappen zijn zeer merkwaardig. In de eerste plaats zijne kristalachtige gedaante; vervolgens, zijne hardheid, waar-door de ouden hem den naam van adamas, of de onover-winnelijke gaven. Hij wederstaat de magt der vijl en kan alleen door zijn eigen poeder geslepen en gesneden worden. Eene treffende zinspeling hierop vindt men in de verzen van KAREL I, die hij maakte in den nacht na zijne veroordeeling:
Zij wonden mijne majesteit met mijne eigene magt,
De koning wordt in des konings eigen naam onttroond:
Zóó vernietigt het diamantstof den diamant.
Hij is ook de meest schitterende edele steen; en zijne flon-kering is bijzonder glansrijk en eigendommelijk. De reden van dezen grooten luister is, dat hij al het licht hetwelk op zijne achterste oppervlakte valt, terugkaatst op een invalhoek van meer dan 24 graden. Nagemaakte juweelen weerkaatsten dit licht slechts ten halve.
De straalbreking die de diamant bezit, is zóó groot, dat NEWTON geneigd was te veronderstellen dat hij – ten minste gedeeltelijk – zamengesteld was uit de eene of andere brand- bare stof. De diamant heeft phosphorische en elektrische eigen-schappen, dat is te zeggen, hij wordt glimmend en lichtgevend, wanneer hij gedurende eenige uren aan de zon blootgesteld, of in een smeltkroes heeft gemaakt wordt.
De meeste diamanten zijn doorschijnend, doch niet allen in denzelfden graad. Sommige zijn dof, met een grijsbruine kleur, en eenige donker, of zelfs zwart. De juweliers zien zeer naauw-keurig naar de verschillende graden van helderheid, en noemen dit het “water van den steen.” Zoo spreken zij van diamanten