142 CONSTANCE CHORLEY.
gebouw van welke soort ook, zelfs niet eens eene plaats om ondeugend volk op te sluiten of een hok voor verdwaald vee.”
“Maar wie wonen er dan?” vroeg CONSTANCE.
“Wel precies eenige weinige boeren met niet veel middelen en hunne arbeiders en dan eenige onafhankelijke menschen wier voorouders met boeren rijk geworden zijn, die dat geld met de hofsteden van kind op kind lieten overgaan en die nu geen lust hebben de plaats te verlaten waar zij zoo lang een gelukkig te huis vonden. Bij deze lieden is mijn vader lang wagenmaker ge-weest en zij achten hem en hij hen, maar ge behoeft niet te denken dat het hunne klandisie is die mijn vader in staat gesteld heeft iets te besparen; neen, dit kan ik je wel verzekeren.”
Bij deze toespeling op oom VALLON’s edelmoedigheid, keerde CONSTANCE zich om, zag in KRIS’ gelaat en zeide zonder eenige jaloerschheid in hare stem:
“KRIS, he, hoe heerlijk zult gij nu kunnen werken?”
Hij boog het hoofd, er kwam iets ernstig nadenkends in zijne rustelooze bruine oogen, terwijl hij zijn zacht fluiten ver-volgde, maar op eens alsof zijne gedachten eene gansch andere wending genomen hadden, sloeg hij met de zweep in de lucht en lachte triomphantelijk.
“Ik weet waar gij aan denkt, KRIS,” zeide CONSTANCE ter- wijl zij ook glimlachte – “uw oom HUMPHREY.”
“Ik dacht,” hernam KRIS, “hoe ik hen over een jaar twee, drie bij elkaar zal laten komen op een raadplegings-diner, onder voorwendsel dat het mij tegenloopt, en dan wil ik in bijzijn van oom HUMPHREY, mijn vader zijne spaarpenningen terug-geven met den verschuldigden interest. Holla, hier zijn wij er, en de hit komt ons tegen!”
Toen KRIS deze uitroep deed moest de kar eene zoo naauwe laan in dat de hit te vergeefs trachtte zoo digt mogelijk langs de heg zich een weg te banen en er zoo in te komen, toen keerde hij zich geheel om en sloeg en werkte met zooveel kracht ach-teruit, dat zij eindelijk op deze vreemde manier hunne intrede deden in het kleine dorpje van Peeler Pond.