CONSTANCE CHORLEY. 141
zachte, donkergroene licht dat door elke opening kroop, de sierlijke fijn- en teêrheid van de boomstammen, de rijk bemos-te grond, de bosch-anemoon met de veel teederder nimf, het nederig viooltje, dit alles herinnerde CONSTANCE hare gelief-koosde droomen van een tooverland, en, dit was volgens hare gedachten zeker, bestond er zulk een? dan moest het stillig wezen in eene plaats als deze, waar de schoone groene open plekjes schene te verlangen naar lieve bewoners.
Maar overal vervolgde haar een spooksel, zij zag het door elke opening gluren en hen bespieden die zich onder deze door de natuur gevormde pilaren bevonden. Ja, CONSTANCE’s ge-dachten dwaalden den geheelen tijd van wat zij zag naar hem dien zij zoo even gezien had, en de gejaagde blik dien zij ge- durig wierp over den afgelegden weg, vertelde KRIS genoeg hoe gemengd de aandoeningen waren die hare ziel in deze oogen-blikken vervulden.
Eindelijk zeide hij tot haar: “ik weet waarom hij daar liep, niet juist om het water te vermijden – maar ik weet waarom hij die laan nam. Zij leidt, zooals gij dadelijk zien zult tot een hoogen weg, en zij is nog wel het naaste pad daar naar toe, menschen van ver af weten dit gewoonlijk niet; dus ik denk dat hij het wist, of misschien wilde hij niet ontmoet en herkend zijn, zoodat hij daarom het gewone pad vermeed. Maar daar hij u niet gezien heeft, kunt hij ook niet veronderstellen dat hij u op het spoor is –”
“Neen,” viel CONSTANCE hem in de reden, “dat is hij niet. DUKE zag hem van morgen slechts eene minuut en vertelde hem dat wij naar tante gingen.”
“O zoo! nu tot dat gij daar zijt, zijt ge veilig. Waar wij naar toe gaan, komen zelden of ooit vreemdelingen. In het dorp waar mijn vader woont is zeker in der tijd iets kwaads geschied en lijdt het nog aan de gevolgen, want anders begrijp ik volstrekt niet wat het gedwongen heeft om zich zoo geheel buiten de bewoonde wereld te houden. Geen straatweg loopt er door, dus niemand zal in het hoofd krijgen er heen te gaan, alleen die er hooren weten er te komen. dan is er geen een fatsoenlijk mensch van hoe weinig afkomst ook, geen publiek