De Gracieuse 1863 | Page 148

140 CONSTANCE CHORLEY.

zijn glinsterende zijden hoed waren zeer zorgvuldig naast hem geplaatst. Wat beefde het arme kind toen zij digter en digter kwam, en hoe schrikte zij bij elken stap dien zij deed, en die voor haar gehoor al zwaarder en zwaarder werd. Maar hij be-woog zich niet. Zij kwamen bij hem, zij gingen hem voorbij, en hij bleef ongestoord zijn middagdutje voortzetten. En toen, bij het wegsterven van de vrees, kwam er een ander gevoel in haar gemoed. Zij wenschte naar hem terug te keeren en hem te kussen. O, als zij slechts even durfde en daarna veilig wegloopen! Een oogenblik stond zij besluiteloos. Plotseling maakte haar vader, in zijn slaap gestoord door de vliegen, eene bewe-ging met de hand als om haar af te weren – en de begooche- ling was verbroken. Zij nam DUKE bij de hand en ijlde weg tot dat zij een hoek van eene heg bereikt hadden die hen aan zijn oog onttrok, en na zich overtuigd te hebben dat hij in eenen diepen slaap gezonken was, ging zij voort, ofschoon zij niet laten kon nu en dan te luisteren of zij zijne voetstappen ook hoorde. Reeds hoorde zij fluiten nog voor dat zij de laan ten einde waren. Zij wist wie het was, en toen het zich gedurig herhaalde begreep zij hoe ongerust KRIS zijn zou over hun voor hem onbegrijpelijk lang uitblijven. Maar zij waren spoedig bij hem, en in antwoord op zijn haastig vragen, want hij zag hunne verschikte gezigten, zeide CONSTANCE sterk fluisterende:

“Vader! wij zagen hem slapen!”

“Zoodat hij u niet zag?”

“O neen.”

“Al wel. Kom hier heen, hij zal u niet vinden waar gij nu henen gaat. Mogt hij dit, dan geeft gij mij de schuld.”

Zij zaten spoedig weêr in den wagen, door de zorg van KRIS was de bodem bijna al droog; zij reden nu en dan tus- schen naauw, groene hoogten en dan weder langs kleine met struiken beplante heuvelen of ook door digte bosschen van lang smal hout dat al zijn groeikracht gebruikt had om naar de hoogte te schieten en daar wat frissche lucht en vrolijken zonne-schijn op te doen. Voor den mensch vormden die boomen daar een liefelijk toevlugtsoord om voor eenige oogenblikken uit te rusten van de vermoeijenis van ziel en ligchaam beide. Het