138 CONSTANCE CHORLEY.
hij dan op het punt van een leugen te zeggen, maar zij had hem bijtijds door hare krachtige zusterlijke liefde en hare snelle be-vatting gered. Zij zag nu die zelfde eigenaardige houding en ge-heimzinnigheid, en wist zeker dat hij in denzelfden toestand verkeerde. Met angst doorliepen hare gedachten alle denkbare mogelijkheden. Hoe kon hij aan geld komen? zou het kunnen zijn dat hij zich aan oneerlijkheid had schuldig gemaakt. Of – en het hartzonk haar in de schoenen bij die vreesselijke on-derstelling – had hij zijn vader gezien?
Maar, zij zocht zich bedaard te houden, en zeide rustig:
“Beste DUKE, gij weet dat gij mij nog nooit eene onwaarheid verteld hebt, eens of twee malen waart gij gereed dit te doen doch uwe goede engel bewaarde u. O neen gij zijt veel te flink voor zoo iets, want DUKE het is iets schandelijks iets weinig manlijks een leugen te zeggen, zoodat gij dit waarlijk nu niet beginnen moet. Kom lievert, vertel mij eens wat er gebeurd is. Mij dunkt, ik weet zeker dat gij iets hebt gekregen dat gij bang zijt te verliezen. Ik wil u helpen daarop te passen, als gij er eerlijk aankomt.”
Hier hield CONSTANCE op en zag hem strak in het gelaat, ter-wijl zij eene zijner handen in de hare nam. Er was eene pauze, waaronder zijne trekken gedurig veranderden, maar eindelijk stak hij de andere hand in den zak, en bragt er na lang zoe- kens heel langzaam eene groene zijden beurs uit, waarin CON-STANCE koper, zilver en eindelijk een stuk goud geld ontdekte. Zij behoefde niet meer te vragen – zij kende die beurs te goed. Zij had ze zoo dikwijls voor haren vader hersteld.
“O DUKE, wanneer zaagt ge hem?”
“Heden voor het eten.”
“Wat van daag! Dezen zelfden dag?”
“Ja.”
“Waar?”
“Toen ik op het gras speelde kwam er een man bij mij die mij zeide dat er een heer was die wilde dat ik bij hem kwam, en o STANCE, het was vader!”
“En wat zeide hij?”
“Wat? hij huilde en liet mij vertellen waar wij geweest wa-