134 CONSTANCE CHORLEY.
die zich al verder uitte door een tal van vragen en uitroepin- gen hoe het mogelijk was zulk een paar hulpelooze schapen te bestelen. Maar oom VALLON die altijd op zijne eigenaardige wijze de man van zaken was, bleef bedaard, en zonder zich in het minst aan die praatjes te storen vervolgde hij: “Maar mijn lieve kind, deedt gij niet beter eerst aan uwe tante te schrij- ven en haar te zeggen waar gij zijt voor dat gij die reis ver- volgt?”
“Wees zoo goed u te herinneren, VALLON, wat ik een oogen-blik geleden gezegd heb,” viel HUMPHREY STANDISH hem in de rede. “Ik wil geen hard ding doen, maar ik zeg en ik blijf er bij, geene verantwoordelijkheid voor mij.”
“Gij bedoelt, HUMPHREY, denk ik, dat gij niet verlangt dat zij hier langer blijven – zelfs zoo lang niet dat zij hier wach- ten op het antwoord hunner tante.”
“Verlang! zij zullen hier niet blijven, dat heb ik maar te zeg-gen JAKOB. Het is geene beleediging voor u of . . . voor hen.”
Oom VALLON was op het punt een haastig antwoord te ge- ven, maar hij zweeg en liet het hoofd zakken, dat was zoo zijne gewoonte als hij over iets nadacht. Eene minuut later hoorde hij de stem zijner vrouw die vroeg: “waarom kunnen wij ze niet voor een poosje medenemen? MARGARETHA zegt dat zij een goed werkzaam meisje is, ik heb hulp noodig, wij kun-nen den jongen naar school zenden, ik meen tot dat de brief komt.”
Oom VALLON’S gelaat helderde heel op, er was echter iets in den gedempten toon van zijn spreken dat deed denken dat hij zulk een verzoek gewacht had; en nu het gedaan was, wilde hij maar de minst mogelijke beweging over de wijze van uitvoering gemaakt hebben.
“Nu dat is goed, maak u maar zoo spoedig ge kunt klaar, kinderen, want de kar kan ons niet te gelijk bevatten, dus gijlieden moet eerst gaan. Breng hen weg KRIS, en laat het paard zoo lang mogelijk rusten eer dat gij ons heden avond komt halen.”
Of de door oom VALLON opgegevene reden de ware is of dat hij na het vertrek der kinderen nog trachten wilde HUMPHREY