De Gracieuse 1863 | 页面 141

CONSTANCE CHORLEY. 133

zoo zult gij ook doen jufvrouw STANDISH, hoort ge. Zij zijn welkom bij het eten, dit kan mij niet schelen, maar de aansprakelijk- heid, zoo als gezegd is, KRIS, ik zal u en de uwen er voor dan- ken als hij het zamen beslist. Mijne beurs en mijn tafel zijn te uwer beschikking als zij iets noodig hebben, maar voor de ver-antwoordelijkheid daar bedank ik voor – dat is uit.”

Toen hij ophield met spreken, volgde er een stilzwijgen dat voor de arme CONSTANCE vreeselijk was. Zij had een gevoel als of zij op moest staan en zeggen dat zij bereid was met haren broeder heen te gaan; maar hare tong weigerde haar alle dienst en de aanval, zoo onverwacht en zoo ruw haar toegebragt, over-weldigde haar een oogenblik geheel en al. Reeds had zij zich daar zoo thuis gevoeld. De openhartigheid waarmede de familie in hare tegenwoordigheid sprak, hare levendige deelname in de behandelde zaak hadden haar geheel doen vergeten dat zij er eigenlijk geen lid van uitmaakte, dat zij eene vreemdeling was, dat van hunne barmhartigheid elk stukje brood, elk uur be-scherming afhing. Maar terwijl het arme kind schrik en vrees over zich voelde komen en iets kils haar als langs het ligchaam liep, werd op eens hare hand door eene warme hartelijke hand gegrepen. Zij behoefde niet te vragen wie dit deed, zij zag hem niet aan om hem op de eene of andere wijze te danken, en terwijl een enkele niet te weerhouden traan haar langs het gelaat biggelde, herinnerde zij zich den gelukkigen avond met KRIS doorgebragt en haar moed steeg bij dit bewijs zijner vriend-schap.

Oom VALLON had eenigen tijd gezwegen in afwachting of ook iemand het woord zou opnemen, toen dit niet gebeurde zeide hij:

“Vertel mij eens, mijn kind, waar gaat gij henen en welke zijn uwe plannen? wees niet bang om tot mij te spreken?”

“Wij wilden naar onze tante reizen die te Westcliff woont.”

“En hebt gij geen geld genoeg om daar op de snelste manier naar toe te komen b. v. met den wagen?”

“Een man nam ons dit alles of anders zouden wij genoeg gehad hebben als wij een eind liepen. Bij dit gezegde barstte een kreet van verontwaardiging los vooral onder de vrouwen,