CONSTANCE CHORLEY. 131
mond! Zoo was de staat van zaken toen het gezelschap opstond en de keuken en de half geproefde gebakjes verliet, om zich te spoeden naar het kleinere, donkere beste vertrek, waar de tafel weêr gespreid was en waar appelen en sinaasappelen en twee groote flesschen gereed stonen, omringd van een aantal wijnglazen, die spoedig gevuld en rondgegeven maar slechts even in treurig stilzwijgen aan den mond gebragt werden.
Toen zij van tafel opgestaan waren had oom VALLON zonder nadenken en door zijne groote liefde voor kinderen aangespoord de eene hand op DUKE’S hoofd en de andere op CONSTANCE’S schouder gelegd en ze zoo beiden voor zich uitgedreven, met dat gevolg dat zij plaats namen tusschen de anderen en weldra ieder met een appel en een glas bessen wijn voor zich zaten. KRIS was geheel verdiept in zijne eigene gedachten en kwam slechts nu en dan eens tot het bewustzijn hoe ongemakkelijk de hem omringenden zich over hem maakten; hij zat naast CON-STANCE en ver van LEENTJE, en ofschoon dit zeer duidelijk eene toevalligheid was bemerkte HUMPHREY het al heel spoedig en zijn gelaat werd er nog norscher door.
Nu was elke omstandigheid hoe gering ook voor hem van beteekenis. Daar hij bij zich zelven besloten had dat een nood-zakelijk gevolg van CHRISTOFFEL’S verheffing in de maatschappij, verwijdering van LEENTJE zou zijn, zoo had de stem van den slechten raadsman in zijn binnenste niet veel noodig om het denkbeeld in hem op te wekken dat het geheele plan ontworpen was met een stillig plan ook van uitvoerig. “Ja, ja, JAKOB VALLON zoo is het” sprak hij bij zich zelven, rookte zijn pijp bij het vuur en slorpte nu en dan een weinig uit zijn glas, alles onder een sterk sprekend stilzwijgen.
CONSTANCE zat doodstil op een bank de zaken te bepeinzen hoewel zeer goed begrijpende dat zij er niets mede te maken had hoe sterk die haar ook aantrokken, en denkende dat allen haar vergaten om zich alleen met hunne eigene huisselijke moei-jelijkheden bezig te houden. Helaas spoedig zou zij ontdekken dat zij gedwaald had.
Oom VALLON zat peinzende in het vuur te staren en proefde geen wijn, jufvrouw VALLON leunde over de tafel en betreurde