De Gracieuse 1863 | Page 138

130 CONSTANCE CHORLEY.

paden des levens leiden. Eerst werd dit denkbeeld overdacht en bepraat door de moeders alleen; maar later vond HUMPHREY het gepast dat hij een rond zag en eene keus deed uit de vele aanbidders van LEENTJE, maar geen van allen noch de frissche jonge boer uit Todness die jaarlijks zijn geschenk van eerste madelieven bragt, noch de dorpsbewoner die in zijne hopelooze liefde zijn laatsten stuiver bij hem verteerde, geen van die allen werd met zooveel aanmoediging ofschoon koud bere-kend, ontvangen dan KRIS. En zoo geheel vreemd is dit niet van zijnen kant, want reeds vroeg had hij in zijnen neef dien onvermoeiden rusteloozen ijver, die groote geestkracht om alles aan te pakken en kleine moeijelijkheden uit den weg te ruimen, ontdekt – eigenschappen waardoor hij de aandacht en de be-scherming der heeren GWYNNE en HANDEL te Todness tot zich getrokken had.

Maar toen daar nu op deze Zondag middag zijn zwager zijne eenzuchtige plannen met KRIS uiteen zette, toen vielen al zijne droomen, maar neen een droomer was hij niet – beter dan, toen vielen zijne langzaam en ijverig opgetrokken luchtkasteelen in het water, want werd KRIS hetgeen zijn vader verlangde dan zou hij natuurlijk eene vrouw kunnen krijgen hooger in stand dan LEENTJE – en dit begrijpende dacht hij niet verder, maar verzette zich tegen het sedert jaren gekoesterde lievelingsplan van oom VALLON met al den hartstogt en de hevigheid van eene be-krompen, ijverzuchtige ziel.

Wie was JAKOB VALLON dat zijn zoon meer moest wezen dan HUMPHREY STANDISH’s dochter? Wie was KRIS dat de men-schen zoo veel lawaai over hem maakten, zoodat de gedachte zijn schoonzoon te worden niet meer eene verheffing voor den jongen zou zijn maar integendeel eene vernedering. Ba! zoo rukte men de dingen uit hun verband. Hij zette zijn hart er tegen in. Volhardde oom VALLON – wel nu hij zou de volle kracht van zijn afkeer gevoelen. Zoo dacht HUMPHREY en trok zich in nijdige afwachting uit het verder gesprek terug,

Neen, HUMPHREY STANDISH, neen; het baat u niet, te vergeefs houdt gij uw glad tegen het licht: uw goede oude ale is zoo zuiver en zacht als altijd, dien bitteren smaak hebt gij in den