De Gracieuse 1863 | Page 133

DE MAAND JUNIJ.

Merkwaardige vrouwen levert de kerkelijke almanak in de laatste maand van de eerste helft des jaars niet op; wij slaan daarom ditmaal terstond de geschied-boeken op en verhalen aan onze geachte lezeressen het een en ander nopens ver-maarde dames, in Junij geboren of overleden.

Den 2den Junij 1701 overleed in vier en negentigjarigen ouderdom MADELAINE DE SCUDERY, die vroeger als romanschrijfster in en buiten Frankrijk eenen hoo-gen roem genoot, welke echter taande toen BOILEAU haar met al de kracht van zijn satiriek vernugt aangreep. En als wij ook hare voortbrengselen beoordeelen naar den hedendaagschen smaak, kunnen wij ze niet anders dan vrij droog en langdradig noemen. Dat hare schriften echter in hun tijd grooten opgang maak-ten, baart ons in ’t minst geen verwondering. Want in vele er van zijn de por-tretten van beroemde en aanzienlijke mannen en vrouwen uit den tijd en van het hof van Koning LODEWIJK XIV onder verdichte namen en omstandigheden geschil-derd met een duidelijkheid, die destijds de aandacht wel trekken en de nieuws-gierigheid gaande maken moest. En dat DE SCUDERY ook kon leveren wat we-zenlijke letterkundige waarde had, moge wel hieruit blijken dat hare verhandeling “over den roem” zelfs door het geleerde ligchaam der Fransche academie met eenen uitgeloofden prijs bekroond werd. Zij stond in hooge achting ook bij de aanzienlijksten in haar vaderland, en genoot een jaargeld, niet alleen van Koning LODEWIJK, maar ook van CHRISTINA VAN ZWEDEN.

Hooge achting bij vorsten en geleerden genoot ook de SCUDERY’S tijd- en landgenoote MARIA BRUNAUX, vrouwe van Loges, echtgenoote van KAREL DE ROCHIGNEVOISSIN, Kamerheer des Konings. Zij overleed den 7den Junij 1641, en is niet alleen bekend als eene der schranderste en vernuftigste vrouwen van haren tijd, op wier oordeel mannen als MALHERBES, BALZAC en anderen den hoogsten prijs stelden, maar ook als een zeer ijverige beschermster van het Pro-testantisme.

Den 5den Junij 1711 overleed, in den ouderdom van twee en zestig jaren, CATHARINA LESCAILLE. Haar vader was afkomstig uit een geslacht, dat wegens godsdienstvervolging uit Zwitserland naar ons vaderland was geweken, en zich te Amsterdam had gevestigd. Hij oefende aldaar het bedrijf van boekhandelaar uit en genoot de bijzondere eer van ten jare 1663 door den Duitschen Keizer voor gelauwerd poëet en als zoodanig met een wapen begiftigd te worden. Doch de weinige gedichten die van hem bekend zijn, bewijzen hoe grillig de fortuin is met dergelijke eerbewijzen; ten minste indien men den middelmatigen verzenma- ker LESCAILLE door den Keizer de heiligen Roomschen rijks op eene zoo buiten-gewone wijze als dichter ziet huldigen, vraagt men niet zonder reden of niet de onvolprezen VONDEL al te groot was voor dergelijke onderscheidingen. Dit is in-tusschen zeker, dat de vader in poëzy ver wordt overtroffen door de dochter,