118 OVER EDELGESTEENTEN.
de warmte, de lucht en de vocht te lijden hebben. Vandaar moeten edelgesteenten niet alleen glans en kleurenpracht, doch tevens een’ zekeren graad van hardheid bezitten. Door deze eigenschap verkreeg de nog onaanzienlijke en oorspronkelijke steen die gladde oppervlakte, welke het menschelijke oog aan-trok, en door deze hardheid alleen kunnen zij voortdurend een versiersel blijven.
Hoewel de edele steenen zeker van den beginne af aan de opmerkzaamheid tot zich getrokken hebben door hunnen glans en hunne kleur en zich daardoor van andere steenen onder-scheidden, ontdekten toch diegenen welke ze zochten spoedig, dat hunne eigenschappen niet altoos op de voordeeligste wijze uitkwamen. Het is waar, dat sommige glanzend werden door wrijving tegen andere steenen, doch andere integendeel vond men rustig met eene zachte laag overdekt, en deze moesten kunstmatig geslepen of gesneden worden. Reeds in de vroegste eeuwen vindt men sporen van steensnijderskunst, en de men-schen leerden hoe men deze sieraden tot het gebruik geschikt moest maken – eene taak waaraan groote moeijelijkheden ver-bonden waren. Men beproefde in het begin de edele steenen te slijpen door wrijving tegen andere harde steenen, doch hierdoor verkreeg men slechts ronde oppervlakten. Zij werden meestal in den vorm van twee kromme lijnen gesneden, in het midden met min of meer scherpen kant. Deze manier van snijden en cabochon genaamd, is nog in zwang.
Nadat de steenen aldus geslepen waren, moest men middelen bedenken om ze te kunnen dragen; te dien einde maakte men hetzij een gaatje aan de eene zijde van den steen, hetzij eene opening waar een draad door kon. Tegenwoordig dragen de Kirgizen op dezelfde manier hunne kornalijnen om den hals en aan hun paardetuig. Een groote diamant dien Prins CHOSROES in 1828 naar St. Petersburg bragt als een geschenk van den Schach van Perzië, en welke 86 karaat weegt en 150,000 pond waard is, heeft eene opening aan de eene zijde, zoodat hij aan een koordje hangen kan. Later werden ronde steenen, die uit-wendig geslepen waren, doorboord om tot halssnoeren te dienen. Ofschoon deze taak veel arbeid vereischte, zijn de Oosterlingen